Geen ministerie veiligheid

Een apart ministerie voor Veiligheid, zoals premier Balkenende heeft voorgesteld, is onnodig en zelfs contraproduktief. Investeer liever in betere uitwisseling van informatie over vermeende terroristen en meer professionaliteit, meent Ton Horrevorts.

Daar is hij weer: de proefballon. Daags voor kerst opgelaten door premier Balkenende die in De Telegraaf pleitte voor een apart ministerie voor Veiligheid in de volgende kabinetsperiode, waarin de veiligheidstaken worden ondergebracht die nu zijn verdeeld over de ministeries van Binnenlandse Zaken en Justitie. Maar wat voor de meeste proefballonnetjes geldt, gaat ook op voor dit idee: het is ontijdig, ondoordacht en onverstandig.

Het idee van een aparte minister voor veiligheidszaken lijkt op het eerste gezicht een voor de hand liggende oplossing: alle veiligheidszaken in handen van één dappere en doortastende minister die aan alle onveiligheid een eind maakt, geen stammenstrijd meer tussen de ministeries van Binnenlandse Zaken en Justitie, geen competentiegeschillen meer tussen politie en inlichtingendiensten en natuurlijk ook geen fouten meer in de terrorismebestrijding.

Het idee is afgekeken van de regering-Bush, die na de aanslagen van 9/11 een apart veiligheidsministerie in het leven heeft geroepen, het Department of Homeland Security. De voorstanders van overplaatsing van dit idee naar Nederland hebben slecht gekeken naar de wederwaardigheden van het Amerikaanse voorbeeld. Het Department of Homeland Security is de eerste twee jaar van zijn bestaan niet of nauwelijks effectief geweest en was vooral naar binnen gekeerd bezig met het ineenvlechten van vroegere losse organisaties. Hilarische verhalen over gevechten over de vraag wie zijn computersysteem mocht inbrengen in de nieuwe organisatie haalden steevast de Amerikaanse media. Voorstanders van het idee gaan ook voorbij aan het feit dat het Amerikaanse voorbeeld vooral gericht is op bescherming van grenzen en op de voorbereiding op eventuele calamiteiten. De inlichtingendiensten en de opsporing vallen er niet onder, terwijl Balkenende dat in zijn voorstel wel wil.

Een majeure herschikking van departementen en onderdelen daarvan zal ook in Nederland leiden tot een langdurige periode waarin deze organisaties vooral gewikkeld zijn in bureaupolitieke oorlogen: hoe moet de organisatie er uit zien, wie wordt de baas over wat, welke systemen worden ingevoerd en welke gebouwen worden gebruikt? Het zal een operatie worden die onnodig veel geld, energie en tijd gaat kosten.

Onderzoeken naar fusies in het bedrijfsleven leren dat dergelijke organisatorische ingrepen bijna altijd tot gevolg hebben dat de prestaties van de nieuwe eenheid in de eerste twee jaar teruglopen en dat de gerichtheid op de klanten dramatisch achteruitgaat. Dat zal bij eenzelfde grote fusie in de overheid zeer zeker ook het geval zijn, waarschijnlijk zelfs in versterkte mate. Op grond daarvan is de conclusie gerechtvaardigd dat de vorming van een ministerie voor Veiligheid tot gevolg heeft dat in de eerste twee jaar de veiligheid daarvan het slachtoffer is: de onveiligheid zal groeien. Het is de vraag of ons land zich een dergelijk risico kan veroorloven.

Het idee van een ministerie voor Veiligheid gaat uit van de veronderstelling dat wanneer je alles wat met een bepaald probleem te maken heeft in één organisatie onderbrengt het probleem het beste wordt opgelost. Dat is een misvatting. Voor de inrichting van een organisatie gelden meer overwegingen, waaronder span of control, balans tussen belangen en betrokkenheid van burgers en maatschappelijke partners.

Eén van de elementen die premier Balkenende uit het oog verliest is het belang van de bestuurlijke aanpak van onveiligheid. In de aanpak van het terrorisme heeft het kabinet op belangrijke punten verkeerde keuzes gemaakt, waardoor de verhoudingen tussen de bestuurlijke en justitiële partners zijn gaan schuren.

Van deze keuzes is het leggen van de verantwoordelijkheid voor het bestrijden van terrorisme bij de minister van Justitie het meest onevenwichtig. In de strijd tegen terrorisme spelen de justitiële autoriteiten niet de belangrijkste rol. Justitie leidt het opsporingsproces van strafbare feiten en is verantwoordelijk voor de strafrechtelijke vervolging. Maar de minister van Binnenlandse Zaken en het lokaal bestuur zijn bij uitstek verantwoordelijk voor het leren kennen van gemeenschappen waarin terroristen verkeren, het vroegtijdig herkennen en waar mogelijk isoleren van hen.

Dit is op de lange termijn van groter belang voor het doeltreffend bestrijden van het terrorisme dan een goede justitiële vervolging. Voeg daarbij het feit dat de AIVD onder de minister van Binnenlandse Zaken valt en het wordt alleen maar onlogischer dat Justitie verantwoordelijk is voor terrorismebestrijding.

Niet een nieuw departement, maar verhoging van de professionaliteit, betere samenwerking en doeltreffende informatie-uitwisseling vormen de sleutel tot een effectievere bestrijding van onveiligheid.

Drs. A.A.M. Horrevorts is directeur van HMSmanagement, een adviesbureau voor de overheid in Den Haag.