De kerstboom

Op verzoek van de Achterpagina hebben vier auteurs een winter- vertelling geschreven. Vandaag een verhaal van Robert Anker, die twee jaar geleden de Libris Literatuur Prijs kreeg voor zijn roman `Een soort Engeland'.

Het was een advertentie in de krant geweest die ons naar een ingesneeuwd adres op de Veluwe had gevoerd. ,,Nog enkele kerstbomen te koop. Prijs n.o.t.k.'' Kerstbomen te koop? Waar kon je nou kerstbomen krijgen? Niet in Amsterdam.

,,We gaan kijken, ik heb toch vrij vandaag'', had Hajar gezegd. ,,Najib heeft nog nooit een kerstboom gezien!''

Het was moeilijk te vinden geweest. De verkoper, een norse oude boer, had zich onwillig getoond terwijl Hajar toch in de auto was blijven zitten. Voor tweehonderd euro! Het ding paste niet in de achterbak maar de man was na enig bidden en smeken bereid geweest een stuk touw te zoeken om de klep vast te binden. De top stak een halve meter uit, ik hoopte maar dat hij niet zou breken.

Plotseling een enorme knal! Het linkervoorwiel begon te bobberen en aan het stuur te rukken. Gelukkig reden we tamelijk langzaam want op een binnenweg – de grote wegen waren al maanden afgesloten – en ik kreeg de auto met enige moeite aan de kant.

,,Moslims! Moslims! Een aanslag!'' juichten de kinderen achterin.

,,Hou op jullie'', riep ik, ineens bijzonder geagiteerd, maar ze gingen door.

,,Hou je nou op verdomme!'' Ik sloeg wat met mijn hand naar achteren en pijnigde mij aan een game-boy.

,,Daan, doe effe normáál! Kinderen hou op.''

Ik stapte uit. Het sneeuwde zachtjes en het was aardedonker. Het was jaren geleden dat ik een wiel had verwisseld dus dat nam nogal wat tijd. De lekke band had een gat of een scheur aan de zijkant, alsof er iets ingevlogen was. Vreemd. Ik wees Hajar erop en die knikte. Ik legde het wiel achterin en brak de top van de boom zodat hij nu helemaal in de bagageruimte verdween. Mijn handen kleefden van de hars.

Toen we een paar kilometer hadden gereden zag ik een bord met een plaatsnaam opdoemen (ik had geen idee waar we waren): Barneveld.

,,Barneveld'', siste ik tegen Hajar. Met een zwiep bracht ik de auto terug op onze weghelft. ,,Barneveld. Een broeinest.''

In de buurt van Utrecht opnieuw een knal. Najib en Julia keken bedrukt toen ik zei dat ze moesten uitstappen. ,,We hebben geen reserveband meer'', legde ik uit. ,,We gaan lopen en vinden heus wel een bushalte.'' Ik sleepte de kerstboom achter me aan, de kinderen bliezen wolkjes in de lucht, Hajar streek even over mijn rug voor ze me een arm gaf.

Plotseling autogeraas en luid gejoel, ik trok de kinderen in de berm. Er kwam een kleine vrachtwagen aanrijden die geen licht voerde. In de open laadbak stond een aantal mannen. Met hun om het hoofd gewikkelde rood-wit en zwart-wit geblokte doeken zagen ze eruit als vroeger Yasser Arafat, sommigen droegen een zonnebril. De auto bonkte en raasde voorbij, de mannen schreeuwden onverstaanbare dingen en zwaaiden met gebalde vuisten – vrolijk leek het wel, alsof ze iets gewonnen hadden.

,,Jeruzalem'', fluisterde Hajar toen ze weg waren. Ik knikte. Zou heel goed kunnen.

Er was geen halte maar de bus die ons achterop reed stopte op mijn teken. Utrecht CS. Dan moesten we daar opnieuw een bus nemen, zei de vriendelijke chauffeur, want er reden geen treinen meer. De kinderen wilden helemaal achterin zitten. Ik plaatste de kerstboom tussen mijn knieën. Twee mannen, een aan iedere zijde van het gangpad, draaiden zich zittend om. Marokkanen, vierde generatie. Ze keken naar ons en naar de boom, draaiden zich weer om en begonnen met elkaar te smoezen. Even later stond de linker man op om op de stopknop te drukken en tegelijk met de ander die ook was gaan staan stapte hij naar ons toe en samen begonnen ze aan de boom te sjorren.

,,Afblijven'', brulde ik. ,,Dit is onze boom, stelletje klootzakken!''

,,De boom van de kinderen'', gilde Hajar en greep het ding bij een paar takken. De kinderen begonnen te huilen. Iedereen keek om maar niemand die iets deed. De bus stond inmiddels stil, de deuren waren zuchtend opengegaan, winterse kou stroomde naar binnen. De tak die de mannen vast hadden brak af en ze tuimelden achterover in het gangpad, krabbelden overeind en verdwenen ermee naar buiten.

We susten de kinderen.

Hoog Catharijne was dichtgespijkerd, de straatverlichting deed het niet meer. Overal werden vuurtjes gestookt waar kleumende mensen hun handen aan warmden. Op aanwijzing van de chauffeur zeulde ik de boom over de lege haltes heen in de richting van de enige bus die er stond. Ik tikte op de deur. De chauffeur maakte met zijn kin een vragend gebaar.

,,Amsterdam'', riep ik. De man dacht een tijdje na, vouwde toen zijn krant op en deed de deur open. ,,Alleen als er tenminste twintig passagiers zijn en niet verder dan de Rijnstraat. Enne, die kerstboom gaat niet mee.'' Zwijgend legde ik tachtig euro neer voor onze kaartjes en beduidde dat hij het wisselgeld, ruim tien euro, mocht houden. We liepen de bus in en ik plaatste de boom op de stoel naast me. Er kwamen meer mensen binnen. Een paar sleepten een kerstboom mee en wisselden met mij een blik van verstandhouding. Een oudere moslim in djellaba en een gebreid mutsje op zijn hoofd dreef een mekkerende geit voor zich uit die stopte om aan mijn boom te snuffelen. De kinderen begonnen het dier te aaien, de man lachte zijn slechte gebit bloot.

Op de A2 werd tussen Utrecht en Amsterdam stevig gepatrouilleerd, een van de weinige beloften waar het nieuwe kabinet zich na de verkiezingen aan had gehouden, een kabinet van moslims en socialisten: de Internationale Moslim Partij (IMP) en Wouters Verjaardag, een groep losgeslagen linkse clubjes die op de verjaardag van hun voorman een tijdelijk verbond hadden gesloten om extreem-rechts buiten de regering te houden.

We waren nog niet in de Rijnstraat of de bus werd naar de kant gedwongen door mannen die in het licht van de koplampen stonden te gebaren in de gestaag vallende sneeuw.

,,O nee hè, ook dat nog'', mompelde ik. Hajar trok de kinderen bij zich op schoot. De mannen kwamen de bus binnen. Ze hadden allemaal een Russische bontmuts op met de kleppen over de oren. Sommigen droegen daaronder een neusdoek, anderen een ouderwets masker. Ze waren allemaal boven de zeventig. Een van hen toonde een pistool dat hij vervolgens in zijn zak stopte. Hij legde vriendelijk uit wie ze waren – alsof we dat niet wisten. Sinds de maatregelen die het nieuwe kabinet drie maanden geleden tegen hun leeftijdsgroep had getroffen hadden de babyboomers zich door het hele land in bendes georganiseerd die dan maar kwaadschiks opeisten wat zij meenden dat hun goedschiks toekwam. ,,Een collecte'' noemde hun woordvoerder het.

,,Allejezus, mán! Wat heeft dat ding wel niet gekost, zeg!'' zei een van hen met een bekakt accent. Ik keek hem vernietigend aan en zweeg. Hajar stond met dunne lippen onze portemonnee af. Bij het geitje aarzelden ze even. Een geitje? Allez, ook het geitje, iemand zei dat hij wel een islamitische slager wist. Met een ,,prettige avond en een goede reis verder'' verlieten ze de bus. Het bestuur van Amsterdam durft nauwelijks tegen ze op te treden, begrijpelijk als je weet dat De Jongste Dag sinds vorig jaar met twee wethouders in het college zit – de bejaardenpartij, pardon: senioren.

De bus ging zoals beloofd niet verder en iedereen dromde naar buiten. Nog een aardig eindje lopen naar het centrum. Ik zette Julia op mijn schouders. Haar grote broer begon te mekkeren en ik viel tegen hem uit.

,,Hou je op'', zei Hajar tegen mij. ,,Altijd tegen die jongen. Het is míjn kind hoor.'' Woedende ogen, het wit glanzend om het lekkende zwart. We liepen stevig door. Ook hier her en der vuurtjes op straat maar veel minder dan in Utrecht. Zuid, hè.

Julia, die ik bij haar handjes vasthoud, is met haar wang op mijn hoofd in slaap gevallen. Ik til haar voorzichtig op de grond en probeer de sleutel in het slot te krijgen als ik plotseling van achteren word vastgepakt – armen op mijn rug gedraaid en op mijn knieën tegen de grond geduwd. Ik hoor Hajar schreeuwen maar versta niet wat ze zegt. De kinderen huilen. Dan laten ze me los. Als ik weer overeind sta en met trillende vingers mijn haar achterover strijk zie ik wie het zijn: Hajars bewakers. Foutje. Waarom had mevrouw dan ook niks gezegd. Zomaar weggegaan.

,,Ik wou eindelijk eens een keertje van ze af'', roept Hajar op de trap tegen mijn rug.

Op de klok in de hal zie ik de tijd: half acht. ,,Kinderen'', roep ik, ,,we gaan nog niet meteen naar bed, we gaan het eerst gezellig maken. Dat kan ook heus wel zonder kerstboom. En mamma heeft vast nog iets héél lekkers in de keuken.''

Ik zet de verwarming hoger en begin de kaarsen aan te steken die er al staan en nieuwe vast te lekken op schoteltjes die de kinderen tevoorschijn hebben gehaald als Julia haar armpje om mijn been klemt en omhoog kijkt.

,,Pappa?''

,,Ja lieverd?''

,,Kijk eens.'' Ze heeft haar linnen tas met de grote paddestoel erop gepakt en haalt daar nu heel voorzichtig een dennentak uit. ,,Dan hebben we toch nog een beetje een boom.'' Haar donkere ogen glanzen, mijn hart breekt. Tussen de planten op de vensterbank staat een bloempot waar eigenlijk niks meer in zit en daarin plant ik de tak. Even later hangen er twee kleine ballen in, wat engelenhaar en echte kerstkransjes.

,,Gaan we nu Stille nacht zingen?'' vraagt Najib.