CBS: beter werk voor kinderen migranten

De kinderen van allochtone migranten uit niet-westerse landen presteren beter op de arbeidsmarkt dan hun ouders. Deze zogeheten tweede generatie-allochtonen zijn hoger opgeleid en hebben vaker een baan die aansluit bij hun niveau.

Dat blijkt uit het onderzoek Allochtonen aan het werk dat het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) vandaag heeft gepubliceerd. Volgens het onderzoek zijn de verschillen in generaties met name groot bij Turken en Marokkanen. Van de eerste generatie heeft 20 procent een middelbare of hoge opleiding, van hun kinderen is dat inmiddels 30 procent. Dit aandeel stijgt nog omdat veel van deze kinderen nu op school zitten. Het percentage autochtonen met een middelbaar of hoog opleidingsniveau is 60.

Allochtonen zijn nog steeds ondervertegenwoordigd in beroepen die een hoge opleiding vragen. Van de autochtone mannen werkt circa de helft in een beroep dat een hoge opleiding vereist, maar bij Turkse en Marokkaanse mannen ligt dit percentage onder de 20 en bij Surinamers en Antillianen rond de 40. Van de hoogopgeleide autochtone mannen heeft 90 procent een baan die bij het opleidingsniveau past. Dit geldt in veel minder mate 76 procent voor de eerste generatie niet-westerse allochtonen. Hun kinderen hebben deze achterstand op de arbeidsmarkt echter vrijwel volledig ingehaald. Ook de vrouwelijke allochtonen die hier geboren zijn, presteren beduidend beter dan hun ouders en vinden veel vaker een baan die bij het niveau van de opleiding past.

Volgens het CBS is het verschil grotendeels te verklaren op grond van veranderde sociale en culturele factoren. De eerste generatie immigranten heeft vaak moeite met het leren van de taal en het leggen van contacten in de buitenwereld. Vrouwen, ook de hoger opgeleiden, blijven vaker thuis.