2005 wordt het jaar van de saaiheid

De gemiddelde grote onderneming wordt niet ouder dan 75 jaar. Kleinere ondernemingen leggen veel eerder het loodje. In het dubbelnummer ter gelegenheid van de feestdagen bespreekt het Britse weekblad The Economist de vraag wat het geheim is van ondernemingen die veel en veel ouder worden dan gemiddeld. De Amerikaanse bank Citigroup bijvoorbeeld heeft een stamboom die teruggaat tot 1812. En de Britse bank Lloyds TSB werd in 1765 gesticht door John Taylor en Sampson Lloyd.

Maar dat valt in het niet bij enkele leden van Les Hénokiens, een Franse club van ondernemingen die minstens tweehonderd jaar in handen van dezelfde familie zijn gebleven en financieel gezond zijn. De club is genoemd naar Enoch, de oudtestamentische figuur die 365 jaar werd en naar de hemel ging zonder te sterven. Dat laatste is het Japanse familiehotel Komatsu niet gelukt, maar het is wel een stuk ouder geworden dan Enoch en het stamt uit 718. De oudste publieke onderneming is de Zweedse onderneming Stora, ooit ontstaan als een kopermijn in 1288, zegt het blad op gezag van de Nederlandse auteur Arie de Geus.

Maar of het nu publieke ondernemingen zijn of familiebedrijven, de oudjes hebben meestal gemeen dat ze overgaan van oudste zoon op oudste zoon, dat leidinggeven door vrouwen gewoon is, en dat ze niet schromen om goede managers aan te trekken als die in de familie niet direct voorhanden zijn. Duurzaamheid van een onderneming heeft meer kans, zo citeert het blad de Amerikaanse management consultant Jim Collins, naarmate de onderneming er beter in slaagt het evenwicht te bewaren tussen trouw aan de kernkwaliteit en de noodzaak tot verandering.

Duurzaamheid is ook de kern van het beleggingsbeleid van Rick Eisinger, de baas van het beleggingsfonds Mosaic Mid-Cap, schrijft het Amerikaanse beursweekblad Barron's. Wie niet wakker wil liggen van de grilligheden van de beurskoersen moet, zo luidt Eisingers advies, aandelen kopen in een beperkt aantal ondernemingen met topmerken die de markt domineren, en al jaren achtereen winst maken. En het is vooral belangrijk om ze vast te houden. Want langetermijnbeleggingen leveren het meest op. Het fonds bewijst dat met resultaten die al drie jaar lang drie keer zo hoog zijn als het gemiddelde van de bedrijven op de Standard & Poor-index. Het sterke punt van het fonds is volgens het blad niet zozeer dat het veel winst maakt in goede tijden, maar dat het uitzonderlijk goed is in het vermijden van verliezen in slechte tijden. Een ander uitgangspunt is dat het fonds beter op de prestaties van individuele ondernemingen let dan op macro-economische factoren als de toestand van de economie of de rentestand.

Kwaliteit en duurzaamheid zijn ook voor het Amerikaanse BusinessWeek de wachtwoorden voor het komende jaar. Het blad voorspelt dat de stemming op de beurs mat zal blijven, zeker de eerste helft van het jaar, en dat de winsten niet hoger zullen zijn dan 8 procent. Verder denkt het dat de rentetarieven langzaam zullen blijven stijgen, dat de dollar gezien de omvang van het Amerikaanse handels- en begrotingstekort zich niet zal herstellen, en dat de olieprijs hoog zal blijven.

Dat alles vormt bij elkaar de reden waarom het raadzaam is te beleggen in kwaliteit, dat wil zeggen in solide ondernemingen met veel eigen geld, een consistente groei van inkomsten, en een gezonde kas. Zwakkere ondernemingen, zo legt het blad uit, hebben nieuw kapitaal nodig om aan de gang te blijven, maar dat wordt duurder doordat de rente blijft stijgen. Het blad meldt dat veel beleggers de weg naar kwaliteit en soliditeit al hebben gevonden. Want uit een onderzoek van de Amerikaanse National Association of Investments Clubs blijkt dat 40 procent van de beleggers denkt dat het hoog tijd wordt om minder riskant te investeren.

Dat is gemakkelijker gezegd dan gedaan. Want er zijn maar heel weinig ondernemingen en topmanagers die zichzelf weten op te werken van een middelmatig kwaliteitsniveau naar een hoger plan, concludeert Jim Collins in het managementkwartaalblad Strategy+Business. Hij baseert dit op zijn analyse van 1.435 ondernemingen die tussen 1965 en 1995 voorkwamen op de lijst van 500 beste ondernemingen van het zakenblad Fortune. Er waren er maar elf die bij Collins, bedrijfseconoom en wiskundige, afgestudeerd aan Stanford University, door de beugel konden. Dat waren de bedrijven die er in een tijdsbestek van vijftien jaar in slaagden hun prestaties voor de beleggers te verdrievoudigen zonder dat ze dat te danken hadden aan de groei in hun branche.

Het merkwaardige is, schrijft het blad, dat het in alle gevallen gaat om onopvallende bedrijven als Kimberly-Clark, de producent van Kleenex, of staalproducent Nucor. Het belangrijkste wat de elf geselecteerde bedrijven gemeen hebben is dat ze gespecialiseerd zijn in één activiteit. De topmanagers van zijn selectie zijn wars van de filmsterallures van collega's als Jack Welch, de vroegere topman van General Electric. Collins constateert dat de onbekende topmanagers van zijn elf favorieten stuk voor stuk heel wat beter presteerden dan Welch.