zoon

1 Aanbevelend voorvoegsel (ETYMOLOGIE: zo een) met ingebouwd uitroepteken: zo'n dochter, zo'n wijf, zo'n vis, zo'n schoft, zelfs (zeldzaam): zo'n zoon. Bij het uitspreken van zo'n zoon verdient het aanbeveling om de rechterhand, met de palm naar beneden gekeerd, plat ter hoogte van de eigen borst naar voren te houden, over een denkbeeldige krullenbol. Bij het uitspreken van zo'n vis daarentegen moeten beide handen met hulp der beide armen wijd van elkaar gehouden worden, met de palmen naar binnen gekeerd. 2. Een der manlijke nakomelingen in het bijzonder: de verloren -, de oudste -, mijn enige -, stief-, pleeg-, erfprins, Abel, Alexis of Alesius. `Neen zoon, geen loon en geen hoon' (L.P. Boon). `Terwijl hij dit schreef, speelde in de kinderkamer op de tweede verdieping zijn jongste zoontje Louis met lapjes, poppen en suikeren vlinders' (Bastet). ANTONIEM: vader, Kaïn, andere zoon. SYNONIEM: nazaad. FEMINIEM: dochter. `De zoon van mijn vader is de vader van mijn zoon' (Nefertete II), `Een zoon is een wrat op zijn vaders neus; laten zitten ontsiert, afsnijden doet pijn' (K. Abdullah).