vader (ETYMOLOGIE: vaar derwaarts, vade retro, va-t-en).

1. Abstract manspersoon die ten onrechte als vader (2) wordt beschouwd: - des -lands, - van de atoombom, - familias, onze -, ongewilde -, stief-, pleeg-, schoon-; vaak DIMINUTIEF: -tje Cats, -tje Tijd, -tje Rijn, -tje Drees. `De mens is de vader van de gedachten', `Dement is de vader van debiel'. 2. Man die minimaal één spermatozo zo heeft gedirigeerd dat het product daarvan (zie zoon, niet dochter) zijn hele leven lang last van dit kortstondig incident ondervindt. `Zijn vader was de deurwaarder A.B. Dreverhaven, een man van achter in de dertig, toen reeds bekend als het zwaard zonder genade voor iedereen schuldenaar die hem in handen viel' (B. Wijk), `Vader, vader, waarom hebt gij mij verlaten?' (Kruisvaarder), `De vader van mijn zoon is de zoon van mijn vader' (Nefertiti). SYNONIEM: ouweheer, papski 3. Man die omgangsrecht heeft verkregen en elke week naar speeltuin, bioscoop, bos, McDonald, en speelgoedwinkel mag. 4. Elke oudere man die geen oude heer is. `Hee vader sodemieter op'.