moeder (COMPARATIEF van moe, moede, moei, vermoeid)

1. Vrouw die meer dan gemiddeld moe is. `Daar helpt geen lieve moeder aan' (Beatrix). 2. Vrouwspersoon die onjuisterwijze de titel moeder voert: - Teresa, - Courage, - Mavo, -maatschappij, - De Gans, draag-, pleeg-, groot-, tweede -, stief-. `Ik poets de plaat uwer asbak, moeder' (Assepoester). 3. Vrouw die kind baarde, in haar verhouding tot dat kind. In Brabant bekend als moeders. `Pakt die beide handen beet, Dient het wijf dat moeder heet' (Schotels 1934). ANTONIEM: vader, dochter, maagd. SYNONIEM: ma, mams, mama, maman. REDUPLICATIE: oma. RIJMWOORD: loeder. Alle boeken gaan over moeders, juist als zij er niet in voorkomen, of als het eeuwen duurt voor ze, aanvankelijk voorzichtig, als moeder erkend, geschilderd, vereerd en postuum aanschouwd worden. Na Hera, Maria en Freya zien wij uit naar een verschijning van de moeder van Mohammed. 4. SUPERLATIEF: Moeder van alle x-en = allergrootste, allerergste, allerongezondste van alle x-en.