`Ik ben de baas in de keet'

Een kapotte rug, dakloos, verslaafd geweest. Bij de Sociale Werkvoorziening werken de mensen die niemand wil. ,,Ik hoop en ik bid dat er bedrijven zijn die zullen zeggen: kom hier, kom bij ons.''

Een kleine man van bijna vijftig, met dik zwart haar en een brede spleet tussen zijn door cariës aangetaste voortanden. Zijn naam blijft ongenoemd, want hij zit in een functioneringsgesprek, en niet iedereen hoeft alles van hem te weten. Hij heeft net plaatsgenomen op de stoel naast zijn chef en tegenover de personeelsman van het hoofdkantoor. Hij schuifelt met zijn voeten. Hij lacht.

,,Wat me van het hart moet'', zegt de chef, ,,dat is je persoonlijke verzorging. Ik zeg zo vaak, jongen, je moet je wassen, je moet je scheren. Je ziet er niet uit.''

,,Vergeten'', zegt de man.

,,Ja, vergeten'', zegt de chef. ,,Je vergeet het altijd. Juist jij, die hier verantwoordelijk is voor het schoonhouden van de keet, juist jij moet er goed en verzorgd uitzien. Opstaan, wassen, scheren, aankleden.''

,,Ja'', zegt de man.

,,Nou'', zegt de chef. ,,Ik hoop dat je het onthoudt. Heb jij ook nog wat?''

,,Ja'', zegt de man. ,,Ik wou vragen: mag ik na vier uur blijven om mijn werk af te maken?''

,,Nee'', zegt de chef. ,,Dat mag niet. Dan ben je er elke avond om half elf nog.''

,,Mag ik dan op zaterdag komen?''

,,Nee'', zegt de chef. ,,Dan sta je zes dagen te werken. Jij wil alle zaterdagen en alle zondagen en alle avonden werken. Maar daar beginnen we niet aan.''

,,Ik hou van mijn werk'', zegt de man.

,,Weet ik'', zegt de chef. ,,Maar er zijn ook andere dingen in het leven. Een dvd'tje kijken. Met de poes spelen.''

,,De poes is altijd buiten'', zegt de man.

,,Wil je nog wat anders zeggen?'' vraagt de chef.

,,Ja'', zegt de man. ,,Ik kan goed met mijn collega's opschieten. Wat ik zeg, dat doen ze.''

,,Zeker'', zegt de chef. ,,Jij bent de baas in de keet.''

,,Ja'', zegt de kleine man. ,,Ik ben de baas.''

De keet is van de Sociale Werkvoorziening, afdeling Groen, vlakbij de Arena in Amsterdam-Zuidoost. Een uit kunststofplaten opgetrokken bouwwerk op een paar vierkante meter zand en modder, met daarop bezems, veegkarren, pick-ups en een paar Ravo's – machines die kunnen sproeien en schrobben. De mensen van Groen maken straten en plantsoenen schoon.

In het vrije bedrijf, zoals dat hier heet, kunnen ze niet terecht. Ze hebben een kapotte rug, een vergroeide arm, of ze kunnen niet lezen en schrijven. Of ze zijn ziek, verslaafd, dakloos, gedetineerd of gewoon lang werkloos geweest, of alles tegelijk, en moeten nu reïntegreren. En als dat is gelukt, dat reïntegreren, moeten ze weer weg – naar een gewone baan in het vrije bedrijf, of bij een van de stadsdelen.

Vijf procent per jaar, is de afspraak met het ministerie van Sociale Zaken. Maar dat lukt niet. Bij Groen is het 1 procent. Hier werken de mensen die niemand wil hebben.

Gerard bijvoorbeeld, die bodyguard was in een pornozaak, tot hij zijn vrouw leerde kennen en hij tot het inzicht kwam dat hij niets met betaalde seks te maken wilde hebben. Maar in de bouw, waarvoor hij was opgeleid, kon hij geen werk krijgen. Toen zat hij thuis. ,,Ik werd er hypernerveus van.'' Hij kon naar de sociale werkvoorziening – prachtig, geweldig, fantastisch. Op één ding na dan.

Hij wordt hypernerveus van zijn collega's. Die lopen te ouwehoeren in plaats van te werken. Ze gooien met hun gereedschap alsof het allemaal niks kost. Hij kan er 's nachts niet van slapen. Hij staat 's ochtends op met migraine.

Of anders Jil, die jarenlang het leven leidde zoals, zegt hij, bijna alle Marokkaanse jongens leiden – dat gaat hij niet allemaal vertellen. Nu helpt hij de timmerman met de verbouwing van de keet.

Tijdens de schaft besmeert hij een stapel witte boterhammen met aardbeienjam. Als hij dat thuis doet, zegt hij, komt hij te laat op zijn werk. Hij woont in Noord, 's morgens loopt hij naar de pont over het IJ – dat scheelt een strip op zijn strippenkaart – en aan de overkant neemt hij de metro. [Vervolg WERKVOORZIENING]

WERKVOORZIENING

'Ik lach als ik kan schoonmaken'

[Vervolg van pagina 15] Er was een tijd dat de Sociale Werkvoorziening nog Sociale Werkplaats heette en er 's morgens een grote bak spijkers op tafel werd uitgestort – die konden de mensen gaan sorteren. De volgende morgen werd dezelfde bak opnieuw leeggestort. Bij wijze van spreken dan. De mensen van Groen willen ermee zeggen dat het werk vroeger zinloos was.

Nu niet meer. Nu maakt Groen winkelcentra en bedrijfsterreinen schoon, of een heel voetbalstadion – ook 's nachts, ook op zaterdag en zondag. De Sociale Werkvoorziening is een bedrijf geworden, de WRA Groep (Werkvoorziening Regio Amsterdam), met divisies en business units. Er werken drieduizend mensen. En het zouden er veel meer kunnen zijn, zegt de manager van de business unit waar Groen onder valt. Genoeg bijstandstrekkers en mislukte schoolverlaters die hij kan laten straatvegen, grasmaaien of papierprikken.

Maar dat gaat niet. Mensen moeten een lichamelijke of verstandelijke handicap hebben om bij de Sociale Werkvoorziening te mogen werken. Vroeger mocht het ook een sociale handicap zijn, zoals dat heet, maar sinds tien jaar is dat niet meer zo. Toen ging het ook slecht met de economie, veel mensen bleven lang werkloos, de mensen met de grootste problemen het langst. Maar die mensen gesubsidieerd laten werken bij de Sociale Werkvoorziening werd door de politiek gezien als concurrentievervalsing. Voor hen kwamen er Melkertbanen. Mensen met zo'n baan moesten na een paar jaar een gewone baan kunnen krijgen. Maar die kregen ze niet. Dus zijn de Melkertbanen weer afgeschaft.

Dat er toch mensen met een sociale handicap bij de Sociale Werkvoorziening werken, komt doordat reïntegreren nu is bedacht als middel om hun kansen op de gewone arbeidsmarkt groter te maken. De Sociale Werkvoorziening kan bieden op quota te reïntegreren werklozen die door de Centra voor Werk en Inkomen worden aanbesteed – met subsidie. Ze leren werken en daarna moeten ze een gewone baan kunnen krijgen.

Maar ook op deze manier lukt dat dus niet zo heel vaak.

`Mijn moeder ging dood'', zegt Orlando. ,,Daarna ging mijn hand beven.'' Hij loopt door de Amsterdamse Poort, het winkelcentrum van Amsterdam-Zuidoost, voorheen de Bijlmer. Wat hij vroeger voor werk deed, voordat zijn moeder stierf, weet hij niet precies meer. Maar wat hij nu doet – daar kan hij uren over vertellen.

Hij zegt: ,,Als ik hier 's morgens kom, het is nog donker, dan is het hier vies, vuil, smerig. De colablikjes. De friteszakken. De injectienaalden. Boe! Pak nooit iets van de straat zonder handschoenen aan. Jij gaat je steken. Jij gaat ziek worden.''

Hij pakt met zijn papierprikker, eigenlijk een grijpertje, een half opgegeten oliebol op en gooit die in zijn vuilniszak. ,,Wat denk je'', zegt hij. ,,Gaan de mensen hier hun portemonnees legen in de winkels als ze met hun voeten door de drek moeten lopen? Nee! Pas als ik hier geweest ben, gaan ze komen, met hun vrouwen, met hun kinderen. Ze gaan hun geld op de toonbank leggen. Hier, geef me die dvd, geef me die fles parfum.''

Tussen half acht en tien uur maakt hij het stuk tussen het ING-gebouw en het midden van het winkelcentrum schoon. Na de ochtendschaft doet hij hetzelfde stuk weer. En na de middagschaft weer. ,,Van mij mag iedereen alles op straat gooien'', zegt hij op een ochtend op de terugweg naar de keet. ,,Ik lach als ik kan schoonmaken.''

Hij zit met een paar andere mensen van Groen in de pick-up van de Sociale Werkvoorziening. Die zitten naar hem te luisteren. Ad, een van hen, zegt: ,,Ik lach nooit. Mij kan het niet schelen of het schoon is of niet.''

,,Waarom zeg je dat?'' vraagt Orlando. ,,Ben je boos?''

,,Nee'', zegt Ad. ,,Het kan mij gewoon niet schelen. Nu is het schoon. Als we straks terugkomen niet. Waarom zou ik lachen?''

,,Omdat het fijn is'', zegt Orlando. ,,Overal nieuwe colablikjes en friteszakken.''

,,Weet je wat ik ga doen?'' zegt Ad. ,,Als mijn vuilniszak vol is, ga ik hem voor jou leeggooien.''

De business unit manager van Groen, Co Gennissen, vindt het belangrijkste van zijn werk dat mensen zich kunnen ontwikkelen. De Sociale Werkvoorziening, zegt hij, is een mensontwikkelingsbedrijf.

Vroeger sorteerden de mensen spijkers. Later veegden ze de straat. Nu doorlopen ze een ontwikkelingstraject. Dat heeft te maken met de reïntegratie, legt Co Gennissen uit. Als zijn mensen na een paar jaar naar een gewone baan moeten, moeten ze wel iets kunnen. Niet alleen gewassen en geschoren op tijd op het werk verschijnen. Maar ook een pick-up besturen. Of een Ravo, de veeg- en schrobmachine.

Dus laat Co Gennissen de mensen die er geschikt voor zijn, opleiden. Rijbewijs halen, ook al kunnen ze niet lezen. Ravo leren bedienen, ook al duurt het een jaar. Ja, jammer dat zijn mensen ook na hun opleiding die gewone baan niet krijgen.

Dat brengt Co Gennissen, die 26 jaar bij de Gemeentereiniging werkte, op het onderwerp concurrentie. Zoals reïntegratie nu als middel wordt gezien om mensen weer aan het werk te krijgen, zo is concurrentie het middel om te voorkomen dat de Sociale Werkvoorziening weer bakken spijkers gaat leegstorten. Heel goed, zegt Co Gennissen. Alleen werkt het niet. Of maar ten dele. Want hoe gaat dat?

Er is een winkelcentrum dat moet worden schoongehouden. Of een voetbalstadion. Het werk wordt aanbesteed en de vrije bedrijven – schoonmakers, hoveniers – gaan bieden. De Sociale Werkvoorziening biedt ook. Co Gennissen: ,,Als ze zien dat ik meedoe, gaat de prijs naar beneden. Maar ze maken wel eerst een nieuwe calculatie, zonder meerwerk. Krijgen zij de opdracht, dan lopen mijn mensen niks te doen. En de opdrachtgever is duurder uit door het meerwerk waar ze later mee op de proppen komen. Krijgen zij de opdracht niet, dan lopen hun mensen niks te doen. En wat gebeurt daarmee? Die komen bij de Sociale Dienst. En dan kunnen ze bij ons reïntegreren.''

Wie bedriegt nou wie? Dat denkt Co Gennissen vaak als hij nieuw werk probeert te krijgen voor zijn mensen. Als het aan hem lag, dan gaven alle stadsdelen een deel van hun veeg-, maai-, blaas-, papierprik- en stratenschrobwerk gewoon aan de Sociale Werkvoorziening. Dan was het maar duidelijk: de mensen die bij hem werken, kríjgen geen gewone baan. Laten ze zich dan op deze manier nuttig maken.

Twee mannen met hun papierprikkers en vuilniszak, de een groot, de ander klein. Hun namen blijven ongenoemd, want ze gaan iets doen dat niet mag. Ze gaan, tussen de ochtend- en de middagschaft, voor een van de winkeliers in de Amsterdamse Poort even een lading bouwafval wegbrengen. Een videotheek die een nieuw interieur krijgt.

De laadbak van de pick-up wordt snel volgestort met grote stukken spaanplaat, aluminium strips, gordijnrails en plastic zakken met puin, en dan rijdt de jongste van de twee mannen ermee naar het Afvalscheidingsstation aan de Meerkerkdreef – een groot, stervormig plateau van asfalt, met aan alle punten containers voor beton, voor ijzer, voor papier, voor wasmachines, koelkasten, oude bedden, fietsen, autobanden en alle andere spullen die kunnen worden hergebruikt. ,,De mensheid is lui'', zegt de man die controleert of het afval niet voor het gemak in de eerste de beste container wordt gedumpt. ,,Als ik er niet was, lag het ijzer bij het plastic en het rubber bij de oude kranten.'' Hij lacht hard. Een Surinamer met rastahaar en een reggaemuts, groen, geel en rood.

Na het lossen is de pick-up 220 kilo lichter.

Het Afvalscheidingsstation is ook een bedrijf, het tarief voor het storten is 120 euro per 1.000 kilo. Het storten van het bouwafval van de videotheekeigenaar in de Amsterdamse Poort kost 26,40 euro.

Dat gaat op rekening van het Stadsdeel Zuidoost, of preciezer van het Milieu Technisch Bedrijf van het Stadsdeel Zuidoost, voorheen de Gemeentereiniging. Dat betaalt die 26,40 euro aan het Afvalscheidingsstation. Zo worden kosten van de bedrijven van Stadsdeel Zuidoost zichtbaar gemaakt, dus controleerbaar en beheersbaar – de droom van iedere manager.

Maar in die droom passen alleen gecalculeerde friteszakken en colablikjes die van A naar B worden getransporteerd door minimaal betaalde, want voor de gewone arbeidsmarkt onvolwaardig bevonden werknemers. Geen afval van verbouwende videotheekeigenaars. Of de kartonnen dozen van een speelgoedhandelaar die net nieuwe voorraad heeft binnengekregen.

Aan het eind van de ochtend legt de grote man zijn papierprikker en zijn vuilniszak even neer en loopt een parfumerie in de Amsterdamse Poort binnen. Hij leegt zijn zakken op de toonbank. Er zitten acht briefjes van 5 euro in. De meisjes achter de toonbank geven hem er twee briefjes van 20 voor terug. Handiger, vindt hij.

Vijf euro – dat is het tarief dat de mensen van Groen voor een partijtje ongecalculeerd afval aan de winkeliers van de Amsterdamse Poort in rekening brengen.

Vraag aan business-unitmanager van Groen Co Gennissen, die toevallig die middag in de keet is. (Het hoofdkantoor is aan de andere kant van de stad.) Waarom laat hij zo'n kans liggen? Waarom maakt hij van afvalverwerking voor winkeliers geen normaal betaalde dienst? Hij zoekt toch meer werk voor zijn mensen?

,,Ja, waarom'', zucht Co Gennissen. Hij begint uit te leggen dat deze vorm van afvalverwerking het werk van het Milieu Technisch Bedrijf is, waar de winkeliers voor moeten betalen, en dat het Stadsdeel Zuidoost niet wil dat de Sociale Werkvoorziening het overneemt. Maar dan onderbreekt hij zichzelf, hij kan zijn ergernis over wat hij net gehoord heeft niet langer onderdrukken. ,,De pest voor het bedrijf'', zegt hij. Bij de Gemeentereiniging is hij 26 jaar lang bezig geweest om ,,deze praktijken'' onmogelijk te maken. Hij had niet gedacht dat zijn mensen er ook aan meededen. Hij kijkt naar de regiomanager van Zuidoost en zegt: ,,Jullie hebben zitten slapen.''

,,Slapen?'' zegt die. ,,Ik ben net nog met de auto de hele Amsterdamse Poort door gereden. Weet ik waar die mannen zijn als ik ze niet zie. Ze kunnen overal wel zijn.''

,,Ja'', zegt Co Gennissen. ,,Bijvoorbeeld naar de Meerkerkdreef.''

De regiomanager loopt naar de chef van de keet en zegt: ,,Hoe kan dat?''

,,Hoe kan wat?'' zegt die. ,,Ik weet van niks.''

Co Gennissen is in de keet omdat hij diploma's gaat uitreiken aan de mannen die voor hun rijexamen op de Ravo zijn geslaagd. Op de tafels staan schaaltjes met koekjes en banketstaaf. Er worden bekertjes koffie en warme chocolademelk uitgedeeld. Na afloop zal er slagroomtaart zijn.

De mannen die hun diploma zullen krijgen zitten langs de muur te wachten. Mohamed is er bij – hij heeft een grijze pantalon aangetrokken, en een grijs vest. Vroeger werkte hij bij de Stadsreiniging, maar hij werd ontslagen nadat hij vijf keer te laat was gekomen. ,,Ik was gescheiden'', zegt hij. ,,Ik ging drinken en hasj roken.'' Toen hij zijn baan kwijt was, raakte hij ook zijn huis kwijt. Nu mag hij een jaar bij de Sociale Werkvoorziening werken. Daarna nog een jaar. En dan? Mohamed weet het niet.

Remon is er ook bij. Hij zat op het speciaal onderwijs, op een gewone school kon hij niet meekomen. Nu gaat het heel goed met hem, zegt hij. Hij heeft een vrouw leren kennen, bij Montapack, de inpakafdeling van de Sociale Werkvoorziening. Hij woont samen. Hij wil graag kinderen.

René, met zijn pezige lijf, is er niet bij. Hij kan niet autorijden, dus hij mag ook niet op de Ravo. Hij heeft een hekel aan auto's, aan snelwegen, aan parkeerterreinen, aan alles wat ermee te maken heeft. Als de andere mannen in de bus stappen om van de keet naar de Amsterdamse Poort of de Arena te gaan, pakt hij zijn mountainbike en fietst erachteraan.

Co Gennissen neemt het woord. ,,Vandaag plaatsen we weer een poot onder het gebouw dat we jullie toekomst noemen. Mannen, jullie hebben een prestatie van formaat neergezet.'' Maar: ,,We moeten niet wegdromen. Het is niet zo dat jullie morgen allemaal op de Ravo mogen rijden. We hebben er in de hele stad maar zes tot onze beschikking, en er zijn nu 35 man die een diploma hebben.''

En: ,,We proberen jullie zo te ontwikkelen dat jullie zouden kúnnen uitstromen naar een reguliere baan. Ik hoop en ik bid dat de stadsdeelraden en de vrije bedrijven hun vinger zullen opsteken en zullen zeggen: kom hier, kom bij ons. Maar jullie weten, mannen, zo is het niet.''

Een paar dagen later zegt Co Gennissen door de telefoon dat hij heeft uitgezocht welke mannen geld hebben aangenomen om bouwafval te storten. ,,Ik heb ze naar de Amsterdamse Poort gestuurd. Ik zei: ga dat geld maar terugbrengen!'' De mannen moesten ook naar het Stadsdeel, met in een envelop de 26,40 euro die de verwerking van het afval had gekost. En hij is zelf ook bij de winkeliers langs geweest. Of ze wel wisten wat ze deden. Dit was misbruik!