Het slagveld van de waarheid

De gedachte dat internet met zijn vele informatiebronnen de laatste echt vrije en democratische markt van ideeën zou zijn, blijkt een illusie, vindt Robert McHenry. Niet de dingen die we niet weten brengen ons in problemen, maar de dingen die we wél weten maar die gewoon niet kloppen.

Met minstens tien jaar informatietijdperk achter de rug beginnen wij eraan te wennen dat de termen ons om de oren vliegen. Amper hadden wij het woordje megabytes geleerd of ze begonnen te zeuren dat wij onze computers moesten opwaarderen om gigabytes aan te kunnen, en de terabytes liggen al op de loer. Het wordt hoog tijd voor de vraag: voelen wij ons na dit alles werkelijk zoveel slimmer? Is de kwaliteit van onze literatuur, onze televisie en onze films, van onze openbare gedachtenwisseling, naar rato verbeterd? En zo nee, waarom niet?

Een van de mogelijke antwoorden is dat wanneer computertechnici `informatie' zeggen, zij daarmee niet bedoelen wat u en ik ermee bedoelen. Wij denken aan dingen als nieuws, kennis, misschien zelfs wijsheid, maar zo'n technicus bedoelt niets meer of minder dan een niet-toevallig signaal, iets wat helemaal geen betekenis hoeft te hebben. Massa's enen en nullen – voor wat ze misschien waard zijn.

Dit is uiteraard niet wat wij te horen krijgen van hen die waarlijk geloven in digitale connectedness, online-gemeenschappen en `informatie wil vrij zijn', wat dat ook moge betekenen. Sedert de prilste dagen van internet heeft een luidruchtige groep enthousiastelingen voorspeld dat uit dit samenstel van computers, snoeren en software op een of andere manier een nieuwe wereldorde van kennis en democratie zou voortkomen, puur door de technologische aard van het geheel wij mensen zouden alleen maar hoeven meeliften. Voor een utopisch visioen klonk het wat flets, maar aan vrome aanhangers en pleitbezorgers was geen gebrek.

Zij waren in 2004 opvallend aanwezig in Howard Deans kortstondige, vergeefse gooi naar de benoeming tot Amerikaanse Democratische presidentskandidaat. De media besteedden bijna evenveel aandacht aan de uitgesproken netwerkachtige opzet van Deans campagne – vooral wat de fondsenwerving betrof – als aan de boodschap van de kandidaat. Dát was het voorland van de politiek, zei men ons, en het jonge, connected volk zou ons de weg wijzen. Wat ze ons in feite lieten zien, was hoe je jezelf voor de gek kunt houden terwijl je bijna het voltallige electoraat negeert.

Soortgelijke overdrijving valt te beluisteren rond projecten als de Wikipedia, een online-encyclopedie waaraan iedereen kan meedoen. De pleitbezorgers van de Wikipedia benadrukken het grote aantal vrijwilligers dat aan het project heeft meegedaan en het aantal artikelen dat zij hebben bijgedragen. Zij benadrukken ook het gemeenschappelijke karakter van de onderneming, waarin iedereen die meer verstand heeft van een onderwerp, of sterker door eigenbelang wordt gedreven, andermans bijdrage kan bewerken. Hun voornaamste geloofsartikel is dat deze openheid onontkoombaar zal resulteren in een hoge mate van nauwkeurigheid en kwaliteit. Dat dit in strijd is met het gezond verstand, en dat het bovendien aantoonbaar niet werkt, deert hen volstrekt niet.

In deze twee voorbeelden overtuigt een kleine, door zelfselectie gevormde groep zich er niet zozeer van dat zij de grote wereld buiten het computerscherm vertegenwoordigt, als wel dat zij op een niet in woorden te vatten wijze daaraan superieur is – dat zij, anders dan de anderen, niet moeizaam hoeft te leren hoe dingen nu eigenlijk werken. Overal waar snelle computers en beperkte ervaring samenkomen, liggen meer voorbeelden voor het oprapen.

In een beroemde zaak die in 1919 door het Amerikaanse Hooggerechtshof is behandeld, bevestigde het hof de veroordeling van enkele anti-oorlogsactivisten die folders met kritiek op de regering hadden verspreid. De blijvende waarde van die zaak ligt in een afwijkende mening van rechter Oliver Wendell Holmes jr., die in klassieke bewoordingen uiting gaf aan de overtuiging dat ,,het goede waarnaar uiteindelijk wordt gestreefd, het best te bereiken valt door vrije uitwisseling van ideeën – dat de beste toets van de waarheid ligt in het vermogen van de gedachte om te midden van de concurrentie van de markt te worden aanvaard''.

Wie het daarmee eens is, zou weleens kunnen concluderen dat internet misschien de laatste, beste kans biedt om de marktplaats van ideeën, en de vrijheid om die ideeën te uiten, te bewaren. In een tijdperk van toenemende fusies tussen mediabedrijven – radio, televisie, kranten – zouden internet en zijn jongste vorm van vrije meningsuiting, het weblog of kortweg blog, van levensbelang kunnen zijn als bastions tegen de sociale en politieke orthodoxie.

Het zou kunnen, maar waarschijnlijk is het niet. Bedenk wel dat de blogs een voorganger hebben gehad: usenet, een eenvoudige internettoepassing die het mogelijk maakte om online over alles van gedachten te wisselen, van het presidentiële beleid tot de bizarste hobby's. Maar de geschiedenis van usenet is er in hoofdzaak een van voortdurende versnippering, waarbij de groepen steeds beperkter werden, doordat andersdenkenden en andere lastpakken zich afscheidden of werden verbannen, waarna velen van hen nieuwe groepen begonnen, met een nóg beperktere visie op hun bepaalde versie van de werkelijkheid.

Niet minder dan usenet laat de blogo-sfeer een steeds verder gaande verdeling toe – stimuleert deze zelfs – van de publieke ruimte waar de ideeënmarkt bestaat, áls hij bestaat. Links leest linkse blogs, rechts leest rechtse blogs, globo's en groenen hebben hun eigen voorkeuren, en anarchisten en archivarissen de hunne. Je vraagt je af hoevelen de moeite nemen om ook maar iets te lezen dat niet alleen maar hun eigen opvattingen bejubelt en bevestigt, en hoevelen bereid zijn om zichzelf en hun ideeën te onderwerpen aan andermans kritische blik.

De beschikbare gegevens nopen tot de conclusie dat het in feite, over het geheel genomen, neerkomt op wéér een woekering van benauwde, gelijkgezinde virtuele `gemeenschappen' (zoals ze altijd heten, terwijl ze toch vrijwel alle eigenschappen van ware gemeenschappen missen), waarin telkens een paar simpele, afgezaagde leuzen door het netwerk heen en weer kaatsen.

Maar dat hóéft niet. In de beste blogs wordt feit tegenover feit gesteld, voorkeur tegenover voorkeur, opinie tegenover tegengestelde opinie. Het debat is open, krachtig, breed en goed geïnformeerd. Je kunt je voorstellen dat rechter Holmes van zulke blogs zou hebben genoten. Maar is het genoeg?

Het is nu eenmaal zo dat internet iedereen die een aansluiting neemt onmiddellijk toegang verschaft tot alle informatie maar ook tot alle desinformatie, tot alle weloverwogen oordelen maar ook tot alle dwaze vooroordelen die de mensheid tot dusverre heeft weten te digitaliseren. Wij, de gebruikers die niet uitsluitend online maar ook in de wereld leven, moeten op de één of andere manier dan maar door deze terabytes aan gegevens waden en de ene soort van de andere zien te onderscheiden.

Jammer genoeg zijn de meesten van ons daar niet zo goed in. In reactie op iets dat ik geschreven had, zei een hoogleraar filosofie eens (een beetje uit de hoogte, dacht ik): ,,Epistemologie is moeilijk.'' Hij had gelijk; net als de meeste serieuze filosofen hebben de epistemologen ons, eenvoudige zielen, niet veel praktische richtlijnen gegeven om waar en vals uit elkaar te houden. Naarmate de wereld ingewikkelder wordt, wordt het steeds belangrijker om dat toch met een redelijke mate van zekerheid te kunnen doen.

De kernachtigste formulering van het probleem die ik ooit ben tegengekomen staat niet op naam van een filosoof of een of andere whizzkid, maar van de negentiende-eeuwse Amerikaanse humorist Artemus Ward: ,,Het zijn niet zozeer de dingen die wij níét weten die ons in de problemen brengen; het zijn de dingen die wij wél weten, maar die gewoon niet kloppen.'' Die laatste dingen – de onware feiten en niet-solide meningen – overleven in hoofdzaak omdat ze worden beschermd tegen de essentiële functie van de marktplaats, namelijk concurrentie.

Heel veel mensen lijden aan iets dat ik het `moeten weten' noem. Daarmee bedoel ik een sterk verlangen om iets te bezitten dat kan doorgaan voor kennis, hetzij echt of vals. De lijders vertonen vooral twee symptomen: wanneer zij met een vraag zitten, storten zij zich vaak op het eerste of meest aansprekende dat zij kunnen vinden dat ook maar een beetje voor een antwoord kan doorgaan. En hebben zij dat eenmaal te pakken, en hebben zij besloten om het te geloven, dan transformeren zij het meteen van een mogelijkheid in een onomstotelijk stuk kennis. Daarna vervolgen zij hun weg, in het vaste vertrouwen iets te weten dat misschien wel helemaal niet klopt.

Soms is het antwoordachtige ding dat zij oppikken, het ding dat het gemakkelijkst te vinden was, bijvoorbeeld nummer 1 in een lijst Google-treffers. Vaker is het het ding dat het meest lijkt op een idee dat ze al koesterden. In beide gevallen zal het hooguit bij toeval het juiste antwoord zijn, maar het geeft het gewenste gevoel: dat je van de hoed en de rand weet. Aldus getroost en toegerust richten zulke mensen vervolgens het merendeel van het maatschappelijk onheil aan. Omdat dit gebrek zo algemeen is – wij allen vertonen er van tijd tot tijd de symptomen van – en omdat de mensen die er enigermate aan lijden dit dienovereenkomstig ontkennen, is internet geen panacee voor de kwalen van de wereld. Geen samenstel van louter snoeren en chips heeft enige kans van slagen waar het tweeduizend jaar filosofie niet is gelukt.

In dezelfde stemverklaring herinnerde rechter Holmes ons eraan dat een vrije, democratische samenleving ,,een experiment is, zoals alle leven een experiment is''. Tot de essentie van een experiment behoort de mogelijkheid dat het mislukt. Er is geen garantie dat de waarheid zal overwinnen; er is alleen maar onze moeizaam verworven en maar al te zelden benutte kennis over wat ons de beste kansen biedt: de vrije uitwisseling en botsing van denkbeelden.

Om uiteenlopende redenen, die geen van alle deugen, is het idee van een marktplaats van ideeën in sommige kringen in diskrediet geraakt. Er zijn mensen wier betrokkenheid bij een bepaald programma de erkenning van zelfs maar het bestaan van alternatieven uitsluit; mensen wier relativistische levensbeschouwing hen leert dat er sowieso geen waarheid bestaat – behalve uiteraard die waarheid – en dat er dus niets te winnen valt met ernaar te zoeken; mensen die gretig om het geringste voorwendsel hevig aanstoot nemen; mensen wier ziekelijke gevoeligheid hen voor iedere concurrentie doet terugdeinzen; en mensen die uit overdreven hoffelijkheid verschil van mening huiverend afwijzen als ongepast.

De grote opgave voor vrije samenlevingen die vrij willen blijven, is te ontdekken hoe zij hun burgers – al hun burgers – een gedegen liefde kunnen inprenten voor de waarheid en voor de methodiek en de gewoonte om helder te denken. De liefde tot de waarheid (de oorspronkelijke betekenis van het woord `filosofie') kan het beste worden overgebracht door bestudering van de geschiedenis niet de geschiedenis van oorlogen en dynastieën, maar de geschiedenis van 's mensen speurtocht naar kennis, van de creatie van cultuur en geesteswetenschappen, van de daaruit voortvloeiende groei van ons inzicht in de wereld, en zelfs het universum, om ons heen, en bovenal van de gestage verbetering van het lot van de doorsneemens, als gevolg van onze sterkere greep op ideeën die werken.

Helder denken is moeilijk, anderen helder leren denken is nog moeilijker. Dat laatste is iets wat onze scholen thans vaker niet dan wel lukt, als ze het al proberen. Maar wat kunnen wij beter doen dan ernaar te streven onze kinderen – en onszelf, als het nog niet te laat is – logica, een montere scepsis – zowel ten aanzien van onze eigen gedachten als die van anderen – en verdraagzaamheid bij te brengen?

Alle technologie ten spijt zijn dát de deugden van de marktplaats van de ideeën, die bij ontstentenis daarvan maar al te gauw ontaardt in het slagveld van de ideologieën.

Robert McHenry is oud-hoofdredacteur van de `Encyclopaedia Britannica' en auteur van `How to know'.

www.nrc.nl/opinie

Link naar uitgebreide kritiek van McHenry op het concept Wikipedia