We not shoot, you not shoot

Tussen de loopgraven voetbalden, volgens de verhalen, in december 1914 teams van Duitse en Engelse soldaten. Een Duitse journalist schreef er een reportage over alsof hij erbij was.

Wat zou er gebeuren, schreef de Britse minister van Marine Winston Churchill in november 1914, als alle legers tegelijk in staking zouden gaan en de soldaten zouden zeggen dat er maar een andere manier moest worden gevonden om de strijd te beslechten? Die gedachte was helemaal niet zo gek. Want de oorlog waaraan de strijdende partijen met zo veel zelfvertrouwen begonnen waren – voor Kerstmis 1914 zou de zege behaald zijn, verwachtten alle partijen – was verzand in een bloedige patstelling, die al honderdduizenden soldaten het leven had gekost.

Het leven aan het front was de hel op aarde. Ratten zo groot als kleine honden, honger, verminkte lijken en later ook gasaanvallen. Maar de modder was volgens sommige soldaten het ergst. Ze zakten er soms tot hun knieën in weg, waardoor de laarzen ermee volliepen. Als de soldaten hun laarzen uittrokken, kwam het voor dat de huid van hun voeten losliet. Nog erger waren de zogeheten `trench feet', waarbij de voeten tot abnormale afmetingen opzwollen en verschrikkelijk mismaakt werden.

Dat is de dagelijkse realiteit als de Britse infanterist Turner op Eerste Kerstdag 1914 Churchills gedachten werkelijkheid maakt. Hij komt zijn loopgraaf uit en loopt op de Duitse tegenstanders af. Beide partijen zijn op hun hoede, maar er wordt niet geschoten. Turner heeft zelfs een pocketcamera bij zich. Hij fotografeert zijn kameraden samen met de Duitsers. De meesten kijken gespannen en gereserveerd in de lens. De kortstondige vrede ging de geschiedenis ingegaan als de `Christmas Truce'.

Dergelijke ontmoetingen kwamen in de Kerstdagen van 1914 op grote schaal voor, betoogt Michaël Jürgs in zijn boek De kleine vrede in de Grote Oorlog. Vaak kwam het initiatief volgens Jürgs van de Duitsers, soms van de Britten. Hij deed onderzoek in tal van archieven, zoals het In Flanders Fields Museum in Ieper en het Imperial War Museum en maakte onder meer gebruik gemaakt van dagboeken, verslagen van het front, eerder verschenen studies en bandopnamen. Hij schreef zijn boek in reportagestijl, met veel anekdotes, alsof hij embedded was in de loopgraven.

Het eerste vertrouwen werd vaak gewekt door woorden te roepen als: `Englishmen, we not shoot, you not shoot.' Soms werden er cadeautjes, bijvoorbeeld chocola, naar de overkant gegooid waaraan een schriftelijk voorstel tot een wapenstilstand bevestigd was. Na enig aftasten kwamen de soldaten hun loopgraven uit om elkaar in het tussengelegen `niemandsland' te ontmoeten. Eerst werden dan de doden begraven, die daar soms al weken lagen. Daarna praatte en lachte men samen, zong men soms een lied en werden er sigaren en drank uitgewisseld. In enkele gevallen werd het samenzijn bekroond met een potje voetbal.

De meeste kerstbestanden hadden plaats tussen Britten en Duitsers, en dat is begrijpelijk. De Fransen en de Belgen verdedigden immers hun eigen land, wat het verlangen naar gezamenlijke gezelligheid vermoedelijk kleiner maakte. De Duitsers en Britten daarentegen vochten op vreemd terrein. Scherpe lijnen tussen nationaliteiten vallen overigens niet te trekken, laat Jürgs zien. Hij beschrijft hoe de houding van de Duitse soldaten onderling sterk verschilde. De Saksen en Beieren waren graag tot een bestand bereid. Maar de naastgelegen Pruisen wilden hier niets van weten, en schoten argeloze Britse soldaten dood die uit de loopgraven waren geklommen. Jürgs citeert zelfs een Engelse officier die van een Saks zou hebben gehoord dat zij (de Saksen) ,,eigenlijk met jullie (de Engelsen) tegen de Pruisen zouden moeten vechten''.

Het initiatief voor de kerstbestanden kwam van de soldaten en officieren ter plaatse. De generaals, die zich ver achter de linies bevonden en die fel tegen iedere toenadering waren gekant, werd in de verslagen op de mouw gespeld dat er werd doorgestreden als normaal. Toch duurde het niet lang voordat de verhalen doorsijpelden in de Engelse en de Duitse pers, inclusief foto's van verbroederde soldaten. De officieren ter plaatse werden gewaarschuwd dat dit geen tweede keer mocht voorkomen, op straffe van berechting door de krijgsraad. Dat werkte. Geleidelijk aan begonnen de gevechten opnieuw, op de ene plek wat sneller dan de andere. Sommige soldaten voerden nog enige tijd schijngevechten door expres over de hoofden van de tegenstander te schieten. Op sommige plaatsen duurde de vrede zo min of meer tot medio januari, maar daarna barstte het geweld overal weer los.

Waarom werd de kleine vrede geen grote vrede? Waarom werd de tijdelijke werkonderbreking van de soldaten geen permanente staking? Jürgs noemt, verspreid over het boek, verschillende redenen. Het kerstbestand zou de wens om `de tegenstander in de pan te hakken' niet hebben verminderd, zoals de Britse soldaat Bruce Bairnfather zegt. Voorts hebben mogelijk de represailles (op muiterij stond de doodstraf) de soldaten afgeschrikt. En jaren van nationalistische propaganda – vooral in Duitsland – hadden een opstand vrijwel ondenkbaar gemaakt.

Daarnaast was er de `gewone' beroepsethiek van de soldaat. `We hadden niets tegen de Duitsers, we schoten alleen op ze. Maar ja, daarvoor waren we er toch ook?' Deze mentaliteit klinkt ook door in een passage uit Goodbye to all that van de schrijver en ex-loopgraafsoldaat Robert Graves. `Een beroepsmilitair had simpelweg de plicht te vechten tegen wie de Koning hem opdroeg te vechten [...] De verbroedering van Kerstmis 1914, waaraan het bataljon als een der eersten had deelgenomen, had dezelfde beroepsmatige eenvoud: het was geen emotioneel intermezzo, maar een traditioneel militair gebruik – een uitwisseling van beleefdheden tussen officieren van elkaar bestrijdende legers'.

Ook volgens de Britse historicus Malcolm Brown, die in Christmas Truce (1984) al uitgebreid onderzoek deed naar de gebeurtenissen zijn informele wapenstilstanden ,,van alle tijden''. Het kerstbestand van 1914 was volgens hem een van de grootste voorbeelden van zo'n bestand, maar volstrekt niet uniek. Jürgs ziet dat anders, voor hem was het kerstbestand wel degelijk `uniek en nooit eerder vertoond', zonder duidelijk te maken waarom.

Jürgs dicht het bestand een grotere emotionele intensiteit en een groter historisch belang toe dan Brown. En hij windt zich veelvuldig op over de Franse, Duitse en Engelse `oorlogshitsers'. Regelmatig geeft hij met bittere commentaren lucht van zijn verontwaardiging, als hij meldt hoe de opperbevelhebbers zich op veilige afstand van de loopgraven tegoed doen aan de ganzenleverpastei, zalm en champagne, terwijl de soldaten sterven als ratten. Zijn boek heeft een pacifistische ondertoon, soms zelfs een boventoon als Jürgs een opsomming geeft van steden die evenals Ieper verwoest zijn, zoals Rotterdam, Dresden en Nagasaki. En passant haalt hij ook de Amerikaanse minister van Defensie Rumsfeld aan toen deze smalend sprak over het ,,oude Europa''.

Een ander gebrek van De kleine vrede in de grote oorlog (dat is uitgegeven zonder register of notenapparaat) is een gebrek aan ordening en analyse. In Jürgs' boek ontbreekt vrijwel iedere systematiek, en dat gaat gaandeweg steeds meer storen. Gelijksoortige anekdotes over sigaren en conserven ruilende soldaten, volgen elkaar eindeloos lang op. Open deuren als `de dood sloeg niemand over' maken het er niet beter op.

De kleine vrede in de Grote Oorlog biedt mooie anekdotes en een vredige kerstboodschap. Maar wie een weteschappelijke visie op de `Christmas truce' is beter af met het boek van Malcolm Brown. En wie ervaringen uit de eerste hand wil, neme Goodbye to all that van Robert Graves, Le feu van Henri Barbusse, of Im Westen nichts Neues van Erich Maria Remarque. Allemaal uitstekend vertaald in het Nederlands.

Michael Jürgs: De kleine vrede in de Grote Oorlog. Kerstmis 1914 aan het westelijk front. Uit het Duits vertaald door Irving E. Pardoen. Mets en Schilt, 364 blz. €25,–