Waarom we dromen vergeten

Tussen droom en geheugen lijkt een intieme betrekking te bestaan. Maar aan de randen van de slaap werkt het geheugen merkbaar slechter. Terwijl je de droom vertelt, begint de herinnering ervan aan het andere uiteinde al te verbrokkelen. Douwe Draaisma

Als we dromen, schreef de Engelse arts Havelock Ellis bijna honderd jaar geleden, gaan we een oud en donker huis binnen. We dwalen door de vertrekken. Tegen de ochtend verlaten we dat huis weer. In de deuropening kijken we nog even over onze schouder en vangen in het naar binnen kierende ochtendlicht nog net een glimp op van de kamers waar we die nacht zijn geweest. Dan sluit de deur achter ons en even later zijn ook de fragmentarische herinneringen na het ontwaken gewist.

Zo voelt het. Je wordt wakker en hebt nog even toegang tot flarden van de droom, maar terwijl je je droom scherper voor de geest probeert te halen, merk je hoe ook die flarden al vervluchtigen. De vraag is: waarom is dat zo? Waarom hebben we zo'n slecht geheugen voor dromen?

Een Amerikaanse psychologe, Mary Calkins, publiceerde in 1893 een statistische analyse van wat zij en haar echtgenoot gedurende een week of zes hadden gedroomd. Beiden hadden daartoe op het nachtkastje gereed gelegd: potlood, papier, kaarsje, lucifers. Maar dromen zijn zo vluchtig, schreef ze, dat zelfs het reiken naar de lucifers ze al kon doen verdwijnen, nog met uitgestrekte arm merkte ze dat de droom al weer weg was. Uitstel van registratie tot de ochtend was meestal fataal. Een van hen had 's nachts een opmerkelijke droom helemaal uitgeschreven in het donker en was toen ``met het tevreden gevoel een wetenschappelijke plicht op gepaste wijze te hebben vervuld weer teruggezonken in de slaap''. De volgende ochtend bleek dat een ongeslepen potlood was gebruikt. De uitgeschreven droom was totaal vergeten.

Wat het vergeten van dromen zo raadselachtig maakt, is dat er tussen droom en geheugen juist intieme betrekkingen lijken te bestaan. Om te beginnen is er de dagrest. De term is van Freud, het verschijnsel zelf zo oud als de droom: 's nachts duiken fragmenten op van wat ons overdag heeft beziggehouden. Het valt mensen die droomjournaals bijhouden vaak op dat die dagresten niet te maken hebben met de hoofdzaken van het leven overdag, het zijn meestal onbeduidende beelden, een flits van wat je overdag nauwelijks opmerkte, een flard uit een gesprek. Sommigen hebben daardoor de indruk dat 's nachts de film van overdag opnieuw geprojecteerd wordt en dat een dagrest niets anders is dan een glimp van die film. Er zijn twee neurofysiologische theorieën die juist voor dit verschijnsel een verklaring suggereren.

De eerste is die van Francis Crick, de geneticus, en Graeme Mitchison. Zij veronderstelden in 1986 dat het brein overdag overvoerd raakt met associaties, dat de meeste van die associaties irrelevant zijn en dat het brein daarom 's nachts de informatie van overdag nog eens langsloopt en het meeste alsnog weggooit. We merken daar niets van, alleen in de droom vangen we af en toe een glimp op van al dat gesorteer en zien we soms zo'n fragment langskomen dat wel weg kan. De tweede theorie is van de neurowetenschapper Jonathan Winson. Hij argumenteert juist dat het brein 's nachts de kans heeft om herinneringen van een tijdelijke opslagplaats te vervoeren naar een langetermijnopslag en dat je dit dataverkeer, om het zo maar te noemen, ook kunt aanwijzen in de activatie van bepaalde circuits in de hersenen en de aanmaak van de neurotransmitters die daarvoor nodig zijn.

Beide theorieën zijn opgetuigd met verwijzingen naar EEG-metingen, letselstudies, biochemisch onderzoek en dierstudies. Maar al dat empirisch geweld verhindert niet de vaststelling dat ze met elkaar in tegenspraak zijn: Crick en Mitchison hebben hun theorie samengevat met de beroemde uitspraak ``We dromen om te vergeten'', terwijl Winson denkt dat we dromen om beter te onthouden. Beide theorieën hebben de suggestie gemeen dat dromen een functie heeft die intensief met het beheer van herinneringen is verbonden. Eigenlijk is het daardoor des te vreemder dat je juist dromen vergeet. Dus opnieuw: waarom hebben we zo'n slecht geheugen voor dromen?

De alledaagse verklaringen voor het vergeten zijn al in 1874 geformuleerd door de Duitse onderzoeker Ludwig Strümpell. Droombeelden zouden te zwak zijn om tot het geheugen door te dringen, net zoals overdag ook veel prikkels te zwak zijn om tot een geheugenspoor te leiden. Droombeelden herhalen zich zelden, dus ook repetitie, normaal gesproken een krachtige strategie voor onthouden, speelt geen rol. Het is misschien geen toeval dat de schaarse dromen die mensen zich wél herinneren vaak repeterende dromen zijn. Voorts: droombeelden zouden te weinig samenhang vertonen, ons geheugen kan niet goed overweg met losse beelden. En ten slotte zouden we simpelweg te weinig belangstelling voor dromen hebben: eenmaal wakker eisen de dagelijkse plichten weer alle aandacht en al snel is iedere herinnering aan de droom gewist. Strümpell vond dat het raadsel niet zozeer was waarom je dromen vergeet, maar hoe het mogelijk is dat je er af en toe een onthoudt.

De verklaringen van Strümpell zijn oud, maar daarom nog niet achterhaald. Ook recente auteurs wijzen op het ontbreken van associatieve kleefkracht in dromen of op het gebrek aan concentratie in de overgangsfase tussen slapen en waken. De waarde van het argument dat er in een droom van alles gebeurt dat onverklaarbaar is of onwaarschijnlijk en dat we de droom wegens het gebrek aan samenhang niet kunnen onthouden, is lastig te taxeren. Als ik me in het echte leven plotseling met mijn begeerlijke buurvrouw in de kelder zou bevinden, zou ik me dat een week later beslist nog herinneren, temeer daar we helemaal geen kelder hebben. Ik weet dat ik dit soort dromen nu en dan gehad heb, maar ik kan me er geen enkele van herinneren. Bovendien: het besef dat er iets vreemds gebeurt ontstaat meestal pas naderhand, terwijl je vertelt of mijmert over de droom. Dan realiseer je je de ene na de andere ongerijmdheid: doden die nog leven, personen die uit het niets verschijnen en waarmee je in vloeiend Spaans een praatje begint – tijdens het dromen verbazen we ons werkelijk nergens over. De relatie tussen het curieuze karakter van veel dromen en het onthouden ervan is dus enigszins onbepaald.

Een afzonderlijke ongerijmdheid zijn de tijdsprongen in dromen. Wat ons geheugen doet met de chronologie van gebeurtenissen in dromen, is bijna een kwestie op zichzelf. De Amerikaanse psycholoog Julius Nelson heeft daarover al in 1888 iets gesignaleerd dat ik me tevoren nooit had gerealiseerd.

Als we wakker worden uit een droom herinneren we ons de laatste beelden. Als we de droom proberen te reconstrueren gaan we in ons geheugen terug naar wat daaraan voorafging en zo steeds verder het verleden in. In feite bewegen we ons dan tegen de normale richting van het herinneren in. Wanneer we in het dagelijks leven vertellen wat we hebben meegemaakt hebben de gebeurtenissen een verloop waarin het een leidt tot het ander, de oorzaak voorafgaat aan het gevolg. We hebben zo, al reproducerend, houvast aan de vertrouwde chronologie. Bij de herinnering aan de droom waad je tegen de stroom in, zodat je het vroegste punt in de droom het laatst bereikt. Het zou tenminste een deel van de verklaring kunnen zijn waarom je je dromen zo moeilijk kunt inprenten.

In 1953 ontdekten Kleitman en Aserinsky dat we tijdens bepaalde fases in de slaap snelle oogbewegingen maken en het EEG een patroon vertoont dat eerder op dat van een wakker dan een slapend brein lijkt. Dromen doen we overwegend tijdens de REM-slaap. De motoriek is dan geblokkeerd, wat de sensatie van zweven of vliegen zou kunnen verklaren, maar ook van niet kunnen bewegen terwijl je je in levensgevaar bevindt.

Een halve eeuw onderzoek naar REM-slaap, in tientallen slaaplaboratoria over de hele wereld, heeft interessante bevindingen over dromen opgeleverd. De langste en meest bizarre dromen spelen zich af tijdens de laatste periode van REM-slaap. Veel van het vergeten treedt al tijdens de eerste minuten na de droom op: als onderzoekers na de signalen dat er wordt gedroomd nog een paar minuten wachten met wekken, is de kans dat de proefpersoon zich een droom herinnert al een stuk kleiner. Maar ditzelfde onderzoek heeft ook zijn eigen relativering voortgebracht. Om te beginnen valt dromen niet werkelijk samen met REM-slaap: er wordt ook buiten de REM-slaap gedroomd, alleen minder veel. Sommige mensen die door een neurologisch defect geen REM-slaap hebben, dromen toch. Omgekeerd kunnen dromen ontbreken bij mensen die wel REM-slaap hebben. Ook de functionaliteit van dromen voor het geheugen is nu omstreden: de MAO-remmers in antidepressiva onderdrukken de REM-slaap volledig, toch hebben deze mensen geen geheugenproblemen. En ten slotte: toediening van L-dopa verhoogt de frequentie en intensiteit van dromen (helaas ook van nachtmerries), maar werkt in op delen van de hersenen die niets met REM-slaap hebben te maken.

Als iets de hele geschiedenis van het droomonderzoek typeert, van vóór Freud tot en met het modernste onderzoek in slaaplaboratoria, dan is het wel de opdeling van het dromen in twee processen. Zulke tweedelingen komen er telkens op neer dat er een systeem is dat de droom voortbrengt en een systeem dat de droom bewerkt. De gebrekkige overdracht tussen die twee systemen zou verantwoordelijk zijn voor het vergeten van dromen. Deze tweedelingen zijn in de neurologie net zo goed aan te wijzen als in de psychologie. Freud wees het driftleven van het Id aan als `producent', en het Ego als het systeem dat de droombeelden bewerkt. In neurologische theorieën zijn onder meer de rechterhersenhelft en de hersenstam aangewezen als oorsprong van dromen en de linkerhersenhelft en de cortex als `interpretator'.

Gemeenschappelijk aan deze tweedelingen is dat de droom niet alleen een bron nodig heeft, maar ook iets dat vertaalt, interpreteert, vertelt, er kortom een vorm aan geeft waar we in het wakende leven mee overweg kunnen. Dromen vereisen een vertaalslag en bij vertalen kan er iets misgaan.

Er leek aanvankelijk veel voor te zeggen dat we dromen met de rechterhersenhelft en dat de linkerhersenhelft van de droom een verhaal maakt waar we naderhand, ook met die linkerhersenhelft, over kunnen praten. Het was een verdeling van functies die naadloos in de theorieën over links-rechtsverschillen paste. De linkerhersenhelft coördineert taken met een exact serieel verloop, zoals spreken en schrijven. De rechterhersenhelft zou eerder synchroon zijn ingesteld en sensitiever zijn voor de symbolische en emotionele betekenis van beelden. Letselstudies ondersteunden deze verdeling. Bij sommige rechtszijdige letsels verliezen mensen het vermogen het `beeld' in metaforen te begrijpen. Er zijn ook rechtszijdige letsels beschreven waardoor patiënten het vermogen om te dromen verloren. En ten slotte: gedurende het grootste deel van de REM-slaap leek er rechts meer hersenactiviteit dan links te zijn. De droom zou het product zijn van de creatieve rechterhemisfeer, die emoties niet alleen kan registreren maar er ook een symbolische en overwegend visuele uitdrukking aan kan geven. De linkerhemisfeer zou al deze beelden moeten reduceren tot iets dat in woorden uitgedrukt kan worden. Geen wonder dat daarbij veel verloren gaat en we de indruk hebben dat de droom zoveel rijker en dieper was dan de schamele verbale restanten die onze linkerhersenhelft weet te reproduceren.

Maar dit beeld van `rechts droomt, links praat' is door nieuw onderzoek een stuk diffuser geworden. De levendigste dromen doen zich voor tijdens de laatste fase van REM-slaap. Dat is ook de periode dat juist de linkerhemisfeer de meeste activatie vertoont. Mensen met ernstige epilepsie waarbij operatief een scheiding tussen beide hersenhelften was aangebracht bleven het vermogen houden te dromen en erover te vertellen. Dat betekent dat links vertelt over wat links gedroomd heeft, over wat links `zelf' gedroomd heeft, zou je bijna zeggen, en deze dromen bevatten ook beelden, al waren de dromen vlakker dan vroeger. Volledig verlies van het vermogen te dromen deed zich alleen voor bij ernstige tweezijdige letsels. Het huidige neurologische inzicht is dat dromen de geïntegreerde activiteit van beide hersenhelften vereist, dat verbale fragmenten beelden kunnen oproepen en andersom, dat letsels links ook de kwaliteit van de beelden aantasten. Het patroon van de droom, kortom, komt tot stand op een neuronaal weefgetouw waarvan de schietspoel onzichtbaar snel heen en weer beweegt. Daarmee verdwijnt ook iets van de geloofwaardigheid van de theorie dat we dromen vergeten omdat links niet overweg kan met wat er van rechts op hem afkomt.

De bekendste architect van de theorie dat de droom is samengesteld uit toevallige flarden zonder betekenis is de Harvard-psychiater Allan Hobson. Hij betoogde dat periodieke ontladingen van cellen in de hersenstam verantwoordelijk zijn voor het optreden van REM-slaap en ook voor de dromen die dan ontstaan. Dat de hersenstam een relatief primitief deel is van ons brein en er geen patroon in die ontladingen zit, zou het bizarre karakter van de droom veroorzaken. Vandaar het uit het niets opduiken van mensen, de curieuze associaties.

Een verwante theorie is die van de neuropsycholoog David Foulkes, die oppert dat dromen ontstaan door het spontane vuren van cellen die deel uitmaken van geheugensporen. Die ontladingen worden niet gestuurd door een verhaallijn, ze zijn volkomen willekeurig. Vandaar, opnieuw, het gebrek aan samenhang in dromen. Wie dromen probeert uit te leggen, ziet orde waar chaos heerst; ons brein mijmert gekkenpraat.

Het probleem met deze opvatting is tweeledig. Eén: sommige dromen hebben ook wél een duidelijke lijn. Niet alles wat gebeurt in een droom is bizar, soms is er samenhang en ontwikkeling. Twee: zelfs al zouden de losse elementen in een droom op toevalsontladingen berusten, dan hoeft onze beleving van de droom nog niet betekenisloos te zijn. Misschien is het tegendeel wel waar en geeft juist de wijze waarop iemand orde probeert op te leggen aan chaos inzicht in zijn denken en beleven.

De laatste tien, vijftien jaar zijn dromen onderzocht met beeldvormende technieken, zoals PET-scans. In een van die experimenten is gevonden dat er tijdens het dromen hevige activiteit was in de lager gelegen delen van de hersenen, maar in het geheel geen activiteit in delen van de hersenen die betrokken zijn bij het geheugen. Dit zou een wel heel simpele en afdoende verklaring zijn: de droom kan niet worden vastgelegd, want het deel van de hersenen dat dat zou moeten doen is tijdelijk buiten bedrijf. Maar in werkelijkheid is zo'n uitkomst het begin van een hele serie problemen. Want hoe kan het dan dat we sommige dromen wel onthouden? Laat staan dat we repeterende dromen zouden kunnen hebben. En hoe verhoudt deze uitkomst zich nu weer tot de theorie van Crick, die juist zei dat het geheugen tijdens het dromen druk aan het sorteren is? Of tot de theorie van Winson, die ons uitlegde dat het geheugen tijdens het dromen bezig is de sporen te consolideren? De introductie van nieuwe technieken leidt bij ingewikkelde psychofysiologische vraagstukken als dat van de droom meestal wel tot nieuwe hypothesen, maar niet tot afdoende weerleggingen of bevestigingen van oudere hypothesen. Onderzoek met neurofysiologische maten mag de associatie hebben met `hard' en `objectief', een eenduidig antwoord op de vraag waarom we dromen vergeten heeft het nog niet opgeleverd.

Maar onze dwaaltocht door een oud en donker huis heeft wel iets meer opgeleverd dan helemaal niets. Er zijn de factoren die te maken hebben met de structuur van de droom. Ook in het dagelijks leven heeft ons geheugen meer moeite met losse, fragmentarische elementen dan met een samenhangend geheel; dromen zijn vaak verward. We weten ook dat het geheugen gemakkelijker iets vastlegt dat we in voorwaartse richting kunnen onthouden; sommige dromen volgen we noodgedwongen tegen de chronologie in. Aan de randen van de slaap werkt het geheugen merkbaar slechter. Iedereen heeft wel eens meegemaakt dat hij 's nachts met iemand die even wakker was een gesprekje had dat die persoon de volgende ochtend compleet vergeten was; de droom komt wat dat betreft wel op een heel ongelukkig moment.

En dan zijn er nog de factoren die te maken hebben met de transformatie of vertaling tussen twee cognitieve systemen die niet automatisch op elkaar aansluiten, tussen beeld en woord bijvoorbeeld. Beelden bevatten enorm veel informatie, kijk vier tellen naar een foto en je kunt vier minuten bezig zijn met het beschrijven van wat je hebt gezien. En niet alleen de vertelling, aan jezelf of een ander, is lastig, ook het loutere feit dat de vertelling tijd neemt is een kritische factor: terwijl je vertelt begint aan het andere uiteinde de droom over de randen van je geheugen te duikelen.

E. Aserinsky & N. Kleitman, `Regularly occurring periods of eye motility, and concomitant phenomena, during sleep', Science, 118 (1953), 273-274.

M.W. Calkins, `Statistics of dreams', American Journal of Psychology, 5 (1893), 311-343.

F. Crick & G. Mitchison, `REM sleep and neural nets', Journal of Mind and Behaviour, 7 (1986), 229-250.

H.H. Ellis, The world of dreams, Londen, 1911.

D. Foulkes, Dreaming: a cognitive-psychological analysis, Hillsdale (N.J.), 1985.

J.A. Hobson & R.W. McCarley, `The brain as a dream state generator: an activation-synthesis hypothesis of the dream process', American Journal of Psychiatry, 134 (1977), 1335-1348.

J. Nelson, `A study of dreams', American Journal of Psychology, 3 (1888), 367-401.

L. Strümpell, Die Natur und Entstehung der Träume, Leipzig, 1874.

J. Winson, Brain and psyche: the biology of the unconscious, New York, 1985.