Wa kijk juh nou?

`Whaaajoo?! Lkkr voor je. Wa kijk juh nou?' Jongerentaal is een doorn in het oog van taalpuristen en veel docenten. Vooral de sms-taal en chat-taal, zoals in het citaat hierboven, roepen doemscenario's op over de aantasting van het Nederlands. `Docenten klagen dat zij teksten onder ogen krijgen die zo uit msn zouden kunnen zijn: vol ongrammaticale constructies, korte zinnen, nauwelijks interpunctie, veel tikfouten, samentrekkingen, afkortingen en lettercijfercombinaties,' schreef Ewoud Sanders begin oktober op de Achterpagina van deze krant.

In haar boekje Lekker belangrijk! Jongerentaal in Nederland schetst Maaike Oppier, verslaggever van de Haagsche Courant, een wat luchtiger beeld. In korte, vlot geschreven hoofdstukjes laat ze de bedenkers en gebruikers van jongerentaal aan het woord. Surinaamse, Turkse en Marokkaanse jongens, Nederlandse schoolmeisjes, Friese scholieren, rapper Extince, en de rechtse Lonsdale-jeugd in Kerkrade die weigeren die `negertaal' te spreken. Allemaal hanteren ze hun eigen woorden, uitspraken en klanken, deels verzonnen, deels van elkaar gekopieerd zoals Murks, de mengelmoes van Turks en Marokkaans, of de Nederlandse scholieren die praten met een harde, Arabische tsju in 'weet je'. De Surinaamse Stanley gebruikt Marokkaanse woorden: `Hé sahbi, heb je garu?' betekent `Hé vriend, heb je wat te roken?'

Elk hoofdstuk eindigt met een woordenlijst. De woorden op het lijstje van de rechtse Lonsdale-jeugd in Kerkrade zijn een mengeling tussen Limburgs dialect en Duits. `Jonk jemüss' betekent `jongeren' en `ramschwule' is `hartstikke homo'. De `negertaal' die ze weigeren te spreken, is een mixtaal van Nederlands, Arabisch en Surinaams. `Dat vind ik zulk raar taalgebruik, dat taaltje. Je mag in Nederland toch geen Turks of Marokkaans meer praten?' zeggen Danny, J.P. en Jonny in koor.

Over hoe en wanneer jongerentaal ontstaan is, zegt Oppier niets, en dat is jammer. Ze beperkt zich tot de constatering dat de taal van jongeren `voor het eerst een afspiegeling [is] van de samenleving waarin ze zelf staan'. De beweegredenen van de taalgebruikers zijn grotendeels aan elkaar gelijk: ze willen zich onderscheiden van volwassenen of van andere groepen jongeren. Meisjes benadrukken er hun vriendschap mee. `jeej sabbie op de plee op attent. dat ik er ben en niet the guy! was gezellie net? iyaaa kknuffiejjj,' sms't Rowena (17) aan Sabine (17). Jongens horen het liefst bij de stoersten in de klas en slaan daarom aan het imiteren.

Oppier laat de jongeren door middel van lange citaten zelf aan het woord, maar ze verzuimt niet om aandacht te besteden aan eventuele verloedering van de Nederlandse taal. Maar ze is toch vooral optimistisch. Jongeren zelf geven aan `een strikte scheiding toe te passen tussen de taal die ze onderling spreken en de manier waarop ze tegen docenten, op school of thuis praten.' Oppiers gesprekspartners beamen dat. Bas: `Ik ga echt niet tegen mijn oma zo praten.' Bovendien weten de meesten best wat de correcte spelling van een woord is. Een moeder van drie kinderen zegt: `Je moet echt goed in Nederlands zijn, wil je dat kunnen, hoor, alles fout schrijven.'

Maaike Oppier: Lekker belangrijk! Jongerentaal in Nederland. BZZTôH, 157 blz. €10,–