Vrede happen in het zand

Wat leest Geert Wilders deze kerst? Wat vinden de Tokkies onder de boom? Zestien recensenten van de bijlage Boeken geven een boek cadeau aan Nederlanders die in 2004 in het nieuws waren.

Verlangen naar vrede op aarde, en daarover nadenken. Nu Nederlandse soldaten hun leven riskeren in Irak en Afghanistan, en Nederland wordt beheerst door gekrakeel over de islam, mag het naïef lijken om het woord `vrede' in de mond te nemen. Maar het is hard nodig om juist daaraan te blijven denken. De kerst-cd met het door premier Balkenende ingesproken gedicht Nu zal het wel gauw gaan sneeuwen dat de manschappen in Camp Smitty dezer dagen ontvangen, is een goed begin, maar niet het hele werk. Daarvoor hebben ze bij de cd een exemplaar nodig van Immanuel Kants Zum ewigen Frieden.

Het aardige is dat Kant (1724-1804) in dat werk, dat nu is vertaald in het Nederlands, al opperde dat de gedachte aan duurzame wereldvrede misschien niet meer is dan een `zoete filosofendroom'. Toch probeerde hij vlak na de Franse Revolutie de morele en juridische vereisten van zo'n vrede uit te werken, en hij deed dat in min of meer hedendaagse liberale termen.

Eén vereiste is volgens Kant een absoluut verbod op aanvalsoorlogen tegen andere staten: dit principe sluit dus ook oorlogvoeren omwille van de vrede uit. Door Duitse tegenstanders van de Irak-oorlog is dit verbod gretig aangehaald, met een zelfverzekerdheid die grensde aan het zelfgenoegzame. Een dergelijke zelfgenoegzaamheid is Kant vreemd. Hij beschouwde de republikeinse staatsvorm, op dat moment alleen verwerkelijkt door de Franse en Amerikaanse revoluties, als een noodzakelijke voorwaarde voor internationale vrede. Ook nam hij principieel stelling tegen de talloze veroveringsoorlogjes tussen de dynastieke staten van zijn tijd.

De oorlogen tegen Afghanistan en Irak hebben in Nederland de gemoederen veel minder beziggehouden dan in Duitsland. Pas toen Nederlandse militairen een man doodschoten of zelf sneuvelden brandde een serieuze discussie los. Voordien juichten sommigen dat Afghanistan de moderniteit in gebombardeerd zou worden, en dat een regimewisseling in Irak niet alleen het terrorisme zou verzwakken, maar ook de democratie in het Midden-Oosten zou versterken. Natuurlijk is daar niets van terechtgekomen, maar de vraag blijft: onder welke omstandigheden is een aanvalsoorlog moreel toegestaan, of wellicht zelfs verplicht? Kunnen preventieve oorlogen of humanitaire interventies ooit legitiem zijn?

Bij Kant is de morele wet even tijdloos als de rede; ze kan niet naar believen aan de wensen en noden van het moment worden aangepast. Maar onze staat, die pas lang na Kants dood is ontstaan, heeft een veel grotere macht over haar onderdanen dan de filosoof ooit had durven dromen. Stellen grove schendingen van mensenrechten als genocide dan geen grens aan de soevereiniteit van een staat? Mogelijk had Kant over moderne `humanitaire' oorlogen iets soortgelijks gezegd als over de Franse revolutie: in zijn filosofische werk verbood hij zulke revoluties ondubbelzinnig, maar in de praktijk was hij enthousiast over de mogelijkheden van vooruitgang en emancipatie die ze bieden.

Dat is niet simpelweg tegenstrijdig of opportunistisch; we stuiten hier op een reëel moreel dilemma waarop zelfs de knapste koppen geen eenduidig antwoord weten. Morele theorie heeft een moeizame verhouding met de praktijk, waar macht doorgaans boven recht gaat. Kant is niet blind voor de beslissingen en compromissen die de praktijk eist; maar hij beveelt staten en mensen wel aan om zich niet door die praktijk te laten leiden, maar zich zo te gedragen dat een op het recht gebaseerde vrede naderbij gebracht kan worden. Dat is dan misschien de les die ook Camp Smitty nog uit Kant kan trekken.

Immanuel Kant: Naar de eeuwige vrede, Boom.