Viva de draaibank, moeder van alle machines

Kunstenaar Fred Abels maakt robots, zoals `Dirk', een schuchtere, levensechte zwerver die een winkelkarretje voortduwt. ,,Mijn bedoeling is dat je de eerste twintig seconden denkt dat Dirk echt is.''

Ons gezin gaat op de fiets naar ROBODOCK: mijn zoon, zijn vriendin, mijn man en ikzelf. De lucht is grauw, regenachtig, groots ook. We fietsen twee-aan-twee om het robotfestival te bereiken, naar het ADM-terrein aan de rand van Amsterdam, langs loodsen, kranen, snelwegen. Af en toe voelen we een spat, maar bereiken nog redelijk droog de `vrijplaats': een van de weinig overgebleven gekraakte terreinen, afgebakend met een groot hek. Vóór het hek wonen de zwervers, illegalen, alcoholisten in caravans en zelfgemaakte bouwsels, duidelijk afgeschermd van de oorspronkelijke krakers. Aanzuigingkracht heet dat, of tweedeling (ja, ook bij stadsnomaden). Achter het hek namelijk wordt het ADM-terrein bevolkt door kinderen, krakers en kunstenaars, de nettere soort nomade.

Het is erg druk, het publiek komt in deze landelijke omgeving van alle kanten aangestroomd. Wat een variatie: bejaarde dames, ambtenaren, mooie meisjes op laarzen, kunststudenten. We betalen, gaan door het hek en zijn op het festival, waar de groep Tuig in de stromende regen de schitterende theatervoorstelling Tegenwind opvoert waarin een enorm bouwwerk geleidelijk aan instort. In de loods staan indrukwekkende bouwsels: robot-apen komen op de dag tot leven, ze springen, piepen en zwaaien met hun staarten. In een badkuipenflat met warm water en hoge trappen nemen complete gezinnen plaats. Op elke badverdieping zitten natgeregende bezoekers op zoek naar warmte en schuim.

Een robotpaard galoppeert hinnikend door de massa, in toom gehouden door zijn charmante berijder die het publiek trakteert op een paardenstunt-show. Een atleet draait rondjes aan het plafond, een popgroep speelt punkmuziek, een bar voorziet ons mechanisch van schnaps, verderop staan stoelen die het publiek heen en weer schudden. Uren lopen we over het terrein, drinken zoete muntthee, eten uitheemse broodjes en bekijken hoe een kind in een stalen bal door een vlam wordt geschoten.

Al kletsend met mijn zoon bots ik tegen een zwerver op, die een winkelkarretje voorduwt. Ik deins achteruit. Hij heft zijn hoofd op en kijkt me vragend aan. ,,Sorry'', zeg ik beschaamd, omdat ik hem zomaar omver loop en hij zo vreselijk stinkt. Lukt het, kan hij er langs? Het schiet door mijn hoofd dat hij waarschijnlijk ergens op het terrein zich schuilhoudt als tijdelijke woonplaats, en nu tussen het Robodock-publiek is beland. Dat soort figuren heb je nu eenmaal op kraakterreinen. Hij schuifelt onzeker verder en lijkt tegen mijn zoon te mompelen. Ik kijk naar zijn lange zwarte haardos, baard, dikke bril en zijn gescheurde jas. In zijn winkelwagen zit een mechaniek, tussen een hoop rommel, maar dat zet me niet aan het denken. Is er iets, kan ik u helpen? Het lijkt een aardige gek, zo te zien aan zijn motoriek is hij ontzettend verlegen. De haarbaard durft je bijna niet aan te kijken. Een meisje achter me roept: ,,Hé, 't is maar een robot, hoor.'' De illusie is verbroken, nu zie ik het ook: het is een pop.

Dirk, de zwerver-robot, wordt bestuurd via afstandsbediening door Fred Abels. Abels kan zich zelf doorzichtig maken. Hij gedraagt zich zo onopvallend, dat je niet ziet dat hij de zwerver bespeelt. Ik zie dan ook niemand en heb niet door dat Abels zich in een straal van vijf meter rond de robot bevindt, maar mijn nieuwsgierigheid is gewekt. Kijk maar eens op de website fabels.org zegt een man. Fabels staat voor Fred Abels, F. Abels.

Zo komt het dat ik dagen later, als Robodock al is opgeruimd, maar weer onder woeste luchten waartegen zich het staal aftekent, opnieuw naar het ADM-terrein fiets, nu naar het atelier van Fred Abels.

Woonwagens

Fred Abels (1961) is een jonge vent, innemend, met rossig haar. Althans dat is mijn herinnering. Bij de tweede ontmoeting blijkt hij blond. Zijn atelier, een grote ruimte op de begane vloer, tegenover wat woonwagens en oude auto's, wordt gemarkeerd door een stalen roos die beweegt in de wind. In de hal naast zijn werkplaats staat de Dicyclet, een grote fiets die Abels ontwierp en bouwde met Maik ter Veer. Twee enorme wielen van glanzend metaal waartussen de fietser zit – hangt als het ware – onder de as. In een filmpje op de website zie je hoe de bestuurder over de kop gaat wanneer deze plotseling remt. Abels legt uit hoe je kunt sturen, vertelt over het maakproces, en de eerste optredens op Oerol, het theaterfestival van Terschelling.

In zijn werkplaats verhaalt Abels over zijn achtergrond: ,,Ik ben een echte Amsterdammer, geboren in de Jodenbreestraat. Daar woon ik nu trouwens vlakbij. Nadat ik de lts heb gedaan, ben ik gaan werken bij technische bedrijven in fabrieken, maar dat hield ik niet vol. Maar ik heb er wel wat goeds aan over gehouden, kijk maar: op mijn vijftiende kocht ik deze draaibank.''

Trots demonstreert Abels zijn draaibank, `de basis van alles'. Hij legt uit dat de draaibank ook een kip-en-ei verhaal in zich draagt: want wie was er eerst? Anders gezegd heeft een draaibank geen draaibank nodig om gemaakt te kunnen worden? Abels schreef er een tekst over, nadat hij in Zuid-Frankrijk een oude draaibank van de schroot redde en repareerde. ,,Deze was uit 1890, totaal verroest en incompleet. De trapaandrijving ontbrak, dus hingen we er op de houtje-touwtje-manier een wasmachinemotor aan, met een V-snaar van een Renault 4, trappen leek ons wat ouderwets. Na wat borstelen en oliën bewoog alles weer. De hoofdas spelingvrij afgesteld en ook de geleidingen. Opeens beseffen we dat een draaibank je door een barrière in je werkplaats helpt. De vraag over de allereerste draaibank beantwoordt zichzelf: we kunnen met deze motor een betere poelie draaien, voor nog een betere motor. Zie: de enige machine die zichzelf verbeteren kan. Viva de draaibank, moeder van alle machientjes!''

Abels heeft altijd geknutseld, ,,maar het duurt wel lang tot je mensen vindt''. Hij trof soortgenoten toen hij na een periode van sleutelen aan brommers en auto's en een reis naar India, besloot uitvinder te worden. ,,Opeens wist ik het: ik ben uitvinder.'' Hij nam bezit van een werkplaats in het destijds gekraakte Silo-gebouw.

,,Vanaf toen werd alles anders, ik ontmoette mensen net als ik, alleen noemden zij zich kunstenaar. Ik kende die kraakpandensfeer eigenlijk niet, ik was daar dan ook de enige Amsterdammer en de meest technische van iedereen. In die tijd restaureerde ik kinetische kunstwerken voor het Kröller Müller Museum en verdiende daar goed mee. Dat was nogal ongebruikelijk in de kraakscene. Ik heb enorm moeten wennen aan het gemeenschapsgebeuren, maar had er uiteindelijk heel veel aan.''

Hij laat een zwartwitfoto zien van de oude Silo-groep, een groep jonge kunstenaars die allerlei activiteiten ondernam in hun kraakpand: exposities, feesten, festivals. Ook toont hij afbeeldingen van een uitvinding uit die tijd: `de overboord-motor' als aanvulling op de buiten- en binnenboordmotor. De motor wordt letterlijk overboord gegooid en komt net boven water, want drijft op een halfopgepompte stootwil. Zo ligt de motor enkele meters voor het stalen bootje onder water. Zittend op de boot, waar de accu's in staan, bestuur je de motor alsof het een paard is, met als teugels rode en zwarte stroomdraad.

,,Ik ben gek op bootjes en had genoeg van die motorherrie. Als-ie onder water is, hoor je niks. In de overboordmotor zit trouwens de ruitenwisser van een tram verwerkt, dat is een ander verhaal. Voor de gein heb ik er toen een haaienvin op de stootwil bevestigd, zodat het net lijkt of je door een haai wordt voortgetrokken. Eigenlijk was het ding beter zonder die vin. Mensen wisten dan echt niet wat ze moesten denken. Soms dachten ze dat je je hond die boot liet trekken en riepen dan vanaf de kant: dierenbeul!'' Abels lacht.

Bromtol

Voor zijn pand stopt een auto. Een kunstenares heeft haar atelier opgeruimd en vraagt of een bromtol welkom is. Abels kijkt of de bromtol werkt en herinnert zich dan weer zijn eerste kraakpand-ervaringen. ,,Het was niet altijd leuk. In het begin dacht ik, misschien heb ik wel de verkeerde kleren aan, de foute gympen. Maar uiteindelijk heeft het verblijf in de Silo me veranderd. Ik ging meedoen met exposities.''

Zo kwam het dat werk van Abels te zien was in kunstenaarssociëteit Arti et Amicitiae en bij Galerie Latour in Amsterdam. Een van de werken is een grote vogel – hij heeft meerdere variaties van het beest gemaakt. De uitdaging was om het beest te laten voorbewegen doordat de vleugels een luchtstroom zouden maken die hem voorduwen. Een van de eerste modellen verkocht hij aan de KLM waar het beest in hangar 14 rondvloog voor het personeel en bezoekers. ,,Af en toe moest hij in de revisie, dan stond ik mijn beestje te repareren naast monteurs en Boeings 747. Geweldig vond ik dat. Belangrijk was dat mijn vogeltje bleef vliegen, elke dag van 9 tot 5, jaar in jaar uit. Langzaam haalde ik alle kinderziektes eruit. Hij heeft er vijf jaar gevlogen. Toen nam ik hem mee naar huis om hem te repareren, maar daar bleek geen geld meer voor te zijn. Het was vlak na 11 september. Sindsdien is hij weer terug in het nest.''

Een later model, de Ornitopther, wat mechanische vogel betekent, heeft een vleugelspanwijdte van vijf meter en vliegt op zijn website. De vogel heeft grote afstanden afgelegd in fabriekshallen op exposities. Abels werkt altijd aan een groot project, en knutselt daarnaast aan zij-projectjes. Zoals een glazen stulp waarin, op een stalen pen, een symmetrische vorm (een S) is bevestigd met scherpe uiteinden, die als een gek ronddraait. Er volgt een verhaal over een ionenmotor en cascadeschakelingen. Een ander object is gebaseerd op een Tesla-spoel. Twee stalen staafjes staan naast elkaar, een zogenaamde jakobsladder waarlangs een blauwpaarse straal omhoog loopt eindigend in een knetterend bergje. Ik mag er mijn vinger niet bij houden want er staat 20.000 volt op.

Sterrennevel

Ook toont hij een object waarvan hij een latere versie verkocht heeft aan strandpaviljoen Zeezicht in IJmuiden: `The stardust generator.' Aan een ronde glazen bol, opgehangen als een kompas, is een lichtgevoelig oog en een lamp bevestigd. De bol draait mika-stof (stel je verpulverde oude raampjes uit een kolenkachel voor) in het rond tot de `sterrennevel' neerdaalt en het lichtgevoelige oog wordt bedekt, waardoor de bol stopt; de lamp warmt de mika-stof op en de bol gaat weer draaien. Tot in lengte van dagen vormt het ronddraaiende stof een spiraal die doet denken aan het melkwegstelsel, in het klein. In zijn atelier hangt een model dat met kwik gemaakt is. Abels: ,,Wat exposeren betreft had ik het snel gehad met die grote witte ruimten. Ik blijf steeds nieuwe scènes uitproberen. KLM dat is zaken doen, met Dirk ben ik straatartiest, poppenspeler, en voor mijn vorig project `de dansmachine' stond ik als een deejay te knallen in het nachtleven.''

Abels laat een manshoog wiel zien, dat hij kan ronddraaien en waar zestien sensoren opzitten. Het is een bespeelbare machine die elektronische muziek maakt. Het wiel stuurt onder andere een sampler aan die geluiden maakt en de Pyrobass, die door middel van gasexplosies basdreunen produceert. Later voegde hij er ook nog een bewegend danspodium aan toe.

,,Ik heb twee versies gemaakt, ook een light-version om mee te reizen. Drie jaar lang trad ik ermee op eerst in de techno-scene en vervolgens van de Stadsschouwburg tot en met de Dogtroep.''

Tenslotte vertelt hij ook nog over zijn Mandala-machine, een mechanisch autootje dat stervormige sporen op de grond achterlaat, een soort spirituele tekeningen; en over zijn Cotyl, een organische sculptuur, een capsule die los in een constructie hangt op het strand en waar acht mensen in kunnen. Terwijl de wind de bol-bezoekers heen en weer wiegt, kunnen ze tegelijkertijd genieten van de geluiden van de wind. Het is eigenlijk te veel om op te noemen maar op de site fabels.org valt alles te bekijken.

Mag ik Dirk, de zwerver, nog een keer zien bewegen? Nu toont Abels hoe hij hem bestuurt: een bruinsuède schoudertas verbergt een radiografische afstandsbediening, de joy-stick zit heel ingenieus verstopt onder de franjes. De zwerver tilt zijn hoofd op en beweegt zijn haren. ,,Wees maar niet verlegen hoor, Dirk'', zegt Abels. De robot is levensecht schuchter, mede dankzij de samenwerking met poppenspeler Mirjam Langemijer, die eindeloos veel tijd heeft gestoken in het vermenselijken van Dirk. Het lopen kostte uiteindelijk het meeste werk, Abels vernieuwde vier keer compleet het mechaniek. Dirk duwt namelijk zijn kar echt voort.

,,Ik had ook een motortje op de zwenkwieltjes van het supermarktkarretje kunnen maken, maar dan bungelt hij er achteraan. Mijn bedoeling is dat je de eerste twintig seconden denkt dat Dirk echt is. Wat moet die gast nou hier in de buurt? En als je ziet dat het een machine is, word je geconfronteerd met je eigen gedachten. Vervolgens blijft men om te kijken naar de reacties van anderen die nog niet weten wie Dirk is. Zo kijken mensen tenslotte naar elkaar, dat is toch prachtig.''

Werk van Fred Abels is te zien bij galerie Chiellerie, Raamgracht 58, Amsterdam, Opening: vrijdag 24 dec. 17-22u. Kijkdagen 25 t/m 30 december, 14-18u. Inl: www.fabels.org of 020-3209448