Veel indruk maken op de vrouwtjes bekort het krekelleven

`Live fast, die young', dat geldt voor mannetjes van de zwarte veldkrekel, Teleogryllus commodus. Australische biologen ontdekten dat de best gevoede insecten veel meer tsjirpen en dus meer vrouwtjes lokken, maar dat zij zichzelf tegelijkertijd zo uitputten dat het hun levensduur met enkele weken bekort (Nature, 23/30 dec).

De Australiërs zetten de krekels in het laboratorium op dieet. De laboratoriumpopulatie kreeg gewoonlijk kattenbrokjes te eten, maar speciaal voor het experiment kregen de krekels een mengsel van eiwitrijk vismeel en eiwitarm havermeel. De verschillende experimentele groepen (ieder bestaande uit 200 larven) werden grootgebracht met korrels met 100, 75 of 50 procent vismeel.

De krekellarven met het rijkste dieet gingen relatief minder vaak dood tijdens het larvestadium. Ook groeiden ze het hardst en verpopten zich ruim een week eerder dan hun minder doorvoede soortgenoten. Eenmaal verpopt waren zij de eersten die gingen tsjirpen, na tien tot twintig dagen. Bovendien tsjirpten deze mannetjes per individu gemiddeld meer per nacht en ook langer per nacht.

Al dat seksueel vertoon ging ze niet in de koude kleren zitten. Hoewel ze zwaarder uit het larvestadium kwamen dan hun minder doorvoede soortgenoten, verloren ze snel gewicht door de extra energie die zij verbruikten. Uiteindelijk stierf de langstlevende weldoorvoede krekelman bijna een maand eerder dan de langstlevende soortgenoot met een eiwitarm dieet. Volgens de onderzoekers is het hogere sterftecijfer onder krekelmannen met een eiwitrijk dieet een gevolg van de verhoogde tsjirp-inspanningen aan het begin van het volwassen stadium. Ze wijzen erop dat het effect `goede-voeding-kort-leven' in de vrije natuur waarschijnlijk nog groter is, want veel tsjirpen lokt ook natuurlijke vijanden aan. Overigens bleek uit een aanvullende veldstudie met luidsprekers dat aanhoudend getsjirp wel tot veel vrouwelijke belangstelling leidt.

De resultaten van het onderzoek zijn wellicht verstrekkend. De auteurs wijzen erop dat hun studie bewijst dat het bereiken van een hoge leeftijd niet altijd een goede maatstaf is voor de fitness van een individu, iets waarvan veel biologen nog altijd uitgaan.