Stop toch eens met dat nawauwelen

Komt het ooit nog goed met de negentiende eeuw? De heersende opinie wil dat de Nederlandse literatuur in die periode weinig tot niets voorstelde. Multatuli, Piet Paaltjes, De Schoolmeester en Hildebrand: dat is het wel zo'n beetje. Bij de intrede in de literatuur van Kloos, Gorter en Couperus vanaf 1880 heet de twintigste eeuw al begonnen te zijn. Neerlandica Marita Mathijsen probeert al jaren dit negatieve beeld bij te stellen. In het erudiete en levendige De geest van de dichter (1991) fingeerde ze tien gesprekken met schrijvers uit de negentiende eeuw en De gemaskerde eeuw (2002) is een fraaie cultuurgeschiedenis van de dubbele moraal in dat tijdperk.

Mathijsen, hoogleraar Moderne Nederlandse Letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam, heeft nu 28 eerder geschreven artikelen gebundeld in Nederlandse literatuur in de romantiek 1820-1880. Daaruit blijkt dat rehabilitatie voortdurend de motor van haar werk is geweest. Ze laat nooit na het object van haar studie en liefde te verdedigen. In `De minachting voor de negentiende eeuw' schetst ze de ontwikkeling van de negatieve beeldvorming. Het begon met eigentijdse kritiek van schrijvers als Bilderdijk (`lauwwatereeuw'), Potgieter en Busken Huet. Maar het beeld van een `vervelende eeuw' vol met `huis-, tuin- en keukenpoëzie' van dominee-dichters werd definitief gevestigd door Kloos en Lodewijk van Deyssel. Mathijsen citeert de in 1884 `twintigjarige blaaskaak' Van Deyssel: `Het heele leven der thans officiëele Nederlandsche letterkunde is een voortdurende belediging, der literatuur aangedaan.'

Wat volgt, tot op de dag van vandaag, is het `nagewauwel' in literatuurgeschiedenissen, handboeken en schoolboeken, stelt Mathijsen. Tegen de opvatting dat het een tijd was van gebrek aan vernieuwing en originaliteit, brengt zij in dat esthetische criteria secundair zijn bij literatuurgeschiedschrijving. Het originaliteitscriterium is haar te beperkt, omdat het `andere opvattingen van literatuur' uitsluit. `Waar we nu op wachten, is een onbevooroordeelde literatuurgeschiedenis'. De opvattingen over de functie van literatuur moeten centraal staan. Het gevaar dat in zo'n studie de literatuur een marginaal verschijnsel is, kan worden afgewend `door juist het onderzoek naar de functie, zoals die uit de werken blijkt.'

Zou het? Zo'n onderwerp lijkt niet meer dan een bouwsteentje voor een overzichtswerk dat gewoon om de literatuur draait. Bouwstenen zijn ook haar artikelen, die gelukkig hoogstens zijdelings gaan over de functie van literatuur. Ze doen reikhalzend uitzien naar een boek dat wél samenhang vertoont, een `onbevooroordeelde literatuurgeschiedenis' van diezelfde Mathijsen.

Naast beschouwende stukken over verscheidene auteurs schrijft ze in deze bundel onderhoudend over onder meer spelling, subsidies, editeren, alfabetisering, de veelzijdigheid van het begrip romantiek. Ze relativeert het beeld van de romantiek als `de meest exuberante, hartstochtelijke periode van de menselijke beschaving': dat is een literaire creatie. Interessant is haar verklaring voor de onwaarschijnlijke plots van `romantische romans'. Het gewone werd te banaal geacht. Filosofen uit die tijd stelden in navolging van Plato dat de mens leefde in een schijnwereld. En dat idee leidde bij schrijvers tot een cultivering van het antirealisme. Boeken waren een uitnodiging om te ontsnappen. De lezer besefte het artificiële karakter, maar werd vervolgens gevraagd dat te vergeten.

Een van de laatste stukken is een lofzang op Tollens dat de kroon op Mathijsens zendingsdrang moet zijn. Op Tollens!: hét symbool van kneuterigheid, het vlees- en rijmgeworden cliché van die niet te serieus te nemen negentiende eeuw. Maar het is een slap stuk. Mathijsen babbelt over standbeelden en medailles, over Tollens' bescheidenheid, waardoor hij pas op aandringen van zijn vrouw zijn onderscheidingen ging dragen. En ze citeert geen enkele dichtregel van hem. Dat is vreemd, als je beweert behalve jezelf niemand te kennen die voor zijn plezier Tollens leest. Het overbrengen van dat plezier volgt hopelijk in die `onbevooroordeelde literatuurgeschiedenis'.

Marita Mathijsen: Nederlandse literatuur in de romantiek 1820-1880. Vantilt, 336 blz. €24,90