Op zoek naar een ethiek van de sterkere: een lofzang op de discretie

Het is uitgesproken onbeschaafd om degenen die het toch al moeilijker hebben, voortdurend in te wrijven dat ze `minder' zijn. Wie sterk is, zou zijn kracht minder intimiderend moeten tonen, wie overwint moet zijn zege ingetogen vieren.

Dat de beschavingstheorie van de socioloog Norbert Elias vooral in Nederland nogal wat aanhang had – of heeft – is niet zo verwonderlijk: zijn toonbeeld van beschaving is afstandelijk, nuchter en redelijk, zoiets als een modale Leidse professor uit de jaren vijftig. Elias meende dat de mensen wel tot meer zelfbeheersing worden gedwongen naarmate de afhankelijkheidslijnen (`interdependentieketens' noemde hij dat zelf) tussen hen langer en complexer worden. Maar die constructie, die Elias omstreeks 1935 bedacht, is wel erg rechtlijnig: ze dwong hem, zacht gezegd, nogal eigengereid en selectief om te gaan met de historische feiten; ook de gewelderupties in het onmiddellijke vervolg van de twintigste eeuw hebben hem nooit fundamenteel te denken gegeven. Dat kan met zijn bewonderaars alsnog: als het de afgelopen weken in brede lagen van de Nederlandse bevolking, ook en vooral in de leidinggevende, aan iets ontbroken heeft, dan wel aan zelfbeheersing.

Niet alleen moest er keihard of zelfs meedogenloos worden opgetreden – hoewel niemand erbij zei hoe dat dan precies moest gebeuren – ook vond men dat de jihad in de polder was uitgebroken, dat Nederland nu `definitief' zijn onschuld had verloren en, vooruit maar, dat `we' nu toch echt in oorlog waren. Wie de rechtstreekse marathonuitzending van de arrestatie van twee vermoedelijke terroristen in het Haagse Laakkwartier heeft gezien, moet wel even gedacht hebben dat Zalm het bij het rechte eind had: 800 zwaarbewapende agenten en militairen verzorgden een dag lang een combinatie van reality-tv en ramptoerisme zoals we in ons land nog niet eerder hadden meegemaakt.

Maar al dit tot in het absurde vermenigvuldigde wapengekletter heeft alleen maar alarmerend en escalerend gewerkt; de gewenning eraan is net zo goed een vorm van oorlogsvoorbereiding als de gewenning aan computerspelletjes waarin het altijd en uitsluitend gaat om de liquidatie van tegenstanders. Als de oorlog al zolang verbaal en virtueel in de lucht hangt, hoeft niemand zich erover te verbazen als er op een gegeven moment ook in de werkelijkheid alvast wat moorddadige voorproefjes op worden genomen.

Maar wil dat zeggen dat `we' nu ook echt in oorlog zijn? Dat zouden de extremisten aller landen wel willen. Na de aanslag in Madrid nam geen Spanjaard dat woord in de mond, niemand kwam op het idee de moslimgemeenschap als zodanig ter verantwoording te roepen. De gangbare ideeën over volkskarakters moesten maar eens naar het rijk der fabelen: die `gepassioneerde' Spanjaarden reageerden met een nuchterheid, een gevoel voor proporties, efficiëntie en bovenal voor discretie die hier volledig ontbraken.

Paniekerige mensen geloven in radicale oplossingen, en die bestaan niet. Het huidige geweld heeft een lange voorgeschiedenis van verziekte verhoudingen die niet van vandaag op morgen kunnen worden omgebogen. Het zou funest zijn als we ons nu alleen zouden concentreren op het publicitair gezien meest spectaculaire en electoraal gezien meest winstgevende werk, dat van de inlichtingendienst, politie en justitie, en als we de minstens zo noodzakelijke, maar veel moeizamere leerprocessen op de lange termijn zouden vergeten.

Het uitgangspunt voor die laatste moet zijn dat de multi-etnische en multireligieuze samenleving een historisch gegeven is waarmee we, oude en nieuwe Nederlanders, zullen moeten leren leven. En dat dwingt veel meer tot nadenken over onze cultuur van het vrije woord, al was het maar omdat Nederlandse politici en opinievormers op het verbale vlak de laatste jaren het hunne hebben bijgedragen aan de explosieve omstandigheden van nu. Fortuyn met zijn latente xenofobie en zijn manifeste islamofobie markeert een omslagpunt: vanaf zijn alerte, soms geestige maar vaak ook onbeschofte en kwetsende optreden is het ongepolijst zeggen wat je denkt de nationale volkssport geworden. Niettemin is Fortuyn eerder het retorische culminatiepunt van die gevaarlijke vrijmoedigheid dan de uitvinder ervan.

In brede lagen van de bevolking heerste immers allang de opvatting dat iedereen mocht zeggen wat hij wilde, en vooral ook wanneer en hoe hij dat wilde. De `eigen mening' is hier – veel meer dan in andere Europese landen – tot hoeksteen van de samenleving verklaard, tot het eerste en onaantastbaarste van alle mensenrechten. Op de tv heeft het onbeheerste babbelen de notie van een behoorlijk gesprek ver in de herinnering teruggedrongen. Woeste interrupties, op de man spelen, demagogie in alle maten en soorten – we worden er dagelijks mee om de oren geslagen. In het onderwijs heeft men het principe `eigen mening eerst' pedagogisch en didactisch officieel vastgelegd. Ook in kwesties waar ze geen benul van hebben, worden de leerlingen aangemoedigd eerst en vooral met hun eigen spontane reacties op de proppen te komen.

Maar die spontaniteit – Flaubert, auteur van een onvoltooide Dictionnaire des Idées Reçues, wist het al – is het product van wat er in een lange periode is ingestampt, bewust maar vooral ook onbewust, via de onontkoombare dagelijkse consumptie ongesorteerd taalvuil. Bij sommigen is het idee dat een mening iets is wat in het eigen hoofd gevormd moet worden en altijd open en onvoltooid zal blijven, al nauwelijks meer voorstelbaar. Een mening schaf je aan, is iets waarmee je je om welke onduidelijke reden dan ook identificeert. En vooral ook: waarmee je pronkt en uitdaagt. Een vechtlustig `Lonsdale'-meisje, door een tv-verslaggever gevraagd naar haar mening over de Marokkaanse jongeren in haar Noord-Limburgse dorp, antwoordde: ,,Als die allochtonen hun mening willen geven, kiezen ze maar een ander merk.''

Hier heeft de `eigen mening' zich op de verst denkbare wijze verwijderd van wat een eigen mening ooit pretendeerde te zijn. Ze is een `merk' geworden, een leeg, veruiterlijkt, ongemotiveerd teken, een alleen nog door de onvrede en geldingsdrang van het moment gedicteerde gedragsvorm. In alle naïviteit maakt het Lonsdale-meisje duidelijk dat de afstand tussen denken en doen bij haar volledig is verdwenen; het doen, in het wilde weg, heeft het denken vervangen. Met het `recht' op de eigen mening tout court claimt ze tegelijk het recht op het eigen gedrag tout court: ik maak zelf wel uit wat ik mag en niet mag. Er bestaat, wil ik maar zeggen, een direct verband tussen de heiligverklaring van de eigen mening en het demonstratief lak hebben aan afspraken, regels, procedures, wetten. En niet alleen als het om Lonsdale-meisjes gaat: liegende politici, corrupte ambtenaren en frauderende managers geven het voorbeeld.

Meteen na de moord op 2 november werd het slachtoffer alom geëerd als ,,frontstrijder van het vrije woord'' (Hirsi Ali). Maar Van Gogh was vooral de voorvechter van het door geen gêne, compassie, fatsoen of twijfel getemperde woord.

Interessant vind ik de reactie van een bevriende lerares van een zwarte Amsterdamse basisschool. ,,Ayaan Hirsi Ali en Van Gogh mogen roepen wat ze willen, wij zullen morgen de schade wel weer herstellen.'' Dat is misschien wel de kern van de zaak: wie zich werkelijk inlaat met de opvoeding, vorming en dus emancipatie van kinderen en jonge mensen, autochtoon of allochtoon, weet hoe complex en weerbarstig de werkelijkheid is, hoeveel moeite het kost systematisch verwaarloosde en vaak geminachte kinderen zoveel vertrouwen te schenken dat ze een zeker zelfvertrouwen, een zeker verantwoordelijkheidsgevoel kunnen ontwikkelen dat ze nu en later zo hard nodig zullen hebben.

Hun dat vertrouwen weer afnemen, hen bang en onzeker maken is daarentegen heel gemakkelijk. `De media' weten precies hoe dat moet. Tot dagen na de moord werden kinderen van de zojuist genoemde school op straat lastiggevallen door verslaggevers. En bij de ingang kregen ze een exemplaar van de in oorlogstijd altijd wakkere Telegraaf in handen geduwd, waarschijnlijk om hun duidelijk te maken dat het spoor van intimidaties en dodenlijsten tot in hun schijnbaar onschuldige kinderziel reikte.

Moslims moeten minder lange tenen hebben, vinden nogal wat opiniemakers, ze moeten maar eens leren ergens tegen te kunnen. Maar met het recept waarmee bijvoorbeeld columnist Afshin Ellian dat denkt te bereiken – onder verwijzing naar W.F. Hermans riep hij Nederlandse schrijvers en kunstenaars op `grapjes' te maken over de islam – bewijst hij toch vooral zelf nog niet helemaal ingeburgerd te zijn.

Hermans richtte zijn satirische pijlen (in een strikt literair kader, waar sowieso andere wetten gelden) op een van oorsprong religieus instituut dat in Nederland al decennialang de politieke dienst uitmaakte, zoals satire van oudsher gericht is op ridiculisering en ontwrichting van de plechtige praatjes van de machthebbers, niet op het trappen naar beneden.

Dat was in de late Middeleeuwen al de essentie van alle volkshumor: die was anti-autoritair. Met hun platte materialisme en hun fysieke grappen confronteerde het gemene volk de feodale heren en kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders met de tijdelijkheid van het bestaan, dus ook met het bedrieglijke en willekeurige van hun geïnstitutionaliseerde eeuwigheidpretenties. In de gemeenschappelijke lach kwam een bevrijdende waarheid aan het licht, die bij afspraak na de feestelijkheden weer achter een ernstig gezicht moest worden opgeborgen.

Ook bij de geleerde humanisten, bij Rabelais en Erasmus, is de kritiek gericht op de eigen sacrosancte instellingen, zij het oneindig subtieler en intelligenter. De klacht is bij hen altijd indirect, de spot discreet, de intentie moralistisch.

Dat Fortuyn, gedwarsboomd redder des vaderlands, postuum tot grootste Nederlander is benoemd, is veelzeggend: het markeert het einde van een vanzelfsprekende traditie van erasmiaanse verdraagzaamheid. Fortuyn probeerde de frustraties van het ontredderde volk niet weg te nemen, hij `benoemde' en verscherpte ze. En zijn grootste verdienste: hij schonk het volk een zondebok. `Grapjes' over de islam? Die worden er aan stamtafels, op hangplekken en in klaslokalen ruimschoots genoeg gemaakt om te weten wat daar de essentie van is: Turken en Marokkanen inpeperen dat ze nu eenmaal inferieur zijn aan ons, blanke Nederlanders. Ze dienen niet de ontwapening maar de meutevorming. Het lachen dat daar opklinkt heeft niets bevrijdends, het is het voorstadium van het verslinden.

De angst daarvoor is voor de meeste Nederlandse moslims al bijna normaal. Maar pijn zal het blijven doen. En als die pijn niet in een inspirerende, liefdevolle omgeving verzacht wordt, zal die verergeren en er als wraak `uit' willen. Dat het radicale islamisme niet als een soort revitalisering van oeroude tradities moet worden gezien, maar als het product van antiwesterse rancune, minder dan een eeuw oud, daarvan zijn onze `eigen' terroristen het levende bewijs. Moslims ervaren hun `achterlijkheid' elke dag in de vorm van wantrouwen, minachting en discriminatie, vaak genoeg ook nog – bijvoorbeeld bij het zoeken naar werk – als ze zich daaraan met veel moeite ontworsteld denken te hebben. Ze zien, horen, voelen elke dag dat ze tot de `anderen' behoren, tot een cultuur van verliezers, maar je zou van verlichte westerlingen zoveel psychologisch inzicht verwachten dat ze alles zouden vermijden om dat te benadrukken.

In de Middeleeuwen was de islamitische cultuur nog de rijkste en machtigste ter wereld, daarna sloegen de zelfgenoegzaamheid en de arrogantie toe. Uit het westen kon onmogelijk nog iets goeds komen. Het eerste medische boek uit Europa dat in een oosterse taal werd vertaald, ging ironisch genoeg over de `Frankische ziekte', oftewel syfilis. Dat gebeurde pas aan het eind van de achttiende eeuw, misschien herinnerde men zich de Osmaanse belegering van Wenen. Vandaag de dag zijn er in de islamitische wereld weliswaar de nodige verlichte plekken, en er zijn invloedrijke, ook hier vertaalde schrijvers – ik denk aan Orhan Pamuk, Tahar Ben Jelloun en Sadik Al-Azm – die voor het broodnodige intellectuele diplomatieke grensverkeer tussen Oost en West zorgen, maar niettemin wordt er nog altijd schrikbarend weinig gelezen, vertaalde boeken uit het westen zijn er nauwelijks te krijgen.

Dat is verontrustend, maar nog verontrustender is dat die geschiedenis zich momenteel in het machtigste land ter wereld dreigt te herhalen. Ook het grootste deel van Amerika wordt, afgezien van de grote steden aan de Oost- en de Westkust, geteisterd door een arrogante zelfgenoegzaamheid die gepaard gaat met een algehele desinteresse in wat zich buiten de eigen provincie afspeelt. Men leest het plaatselijke sufferdje, hysterische dominees leveren het voedsel voor de geest. En het ministerie van Buitenlandse Zaken laat zich adviseren door Samuel Huntington, die zijn broodheren eerst heeft geleerd dat culturen essentieel van elkaar verschillen, en nu, in Who are we, ter bescherming van de superieure `nationale identiteit' (een volstrekt fictieve homogene cultuur van anglo-protestantse origine), adviseert de strijd tegen de vreemde culturen ook in het binnenland stevig ter hand te nemen, onder meer door een muur te bouwen langs de grens met Mexico.

Dan kan het niet verbazen dat de meeste Amerikanen – en in hun kielzog de nodige Nederlanders – het vanzelfsprekend vinden dat de VS aan de andere kant van de wereld een door niets gelegitimeerde oorlog voeren en de Israëlische nederzettingenpolitiek steunen, het gaat immers om landen die tot de as van het Kwaad behoren, en dat zijn broedplaatsen van het internationale terroristendom. Geen moment komt het bij hen op dat de beslissende stap naar die terreur wel eens kan worden ingegeven door de vernederende en uitzichtloze chaos van door hun eigen jongens, ook vaak behorend tot het kansloze, zwarte uitschot, aan puin geschoten levens.

Intussen is het duidelijk geworden dat `het benoemen van de problemen' – zoals dat in de terminologie van de LPF heet – vooral tot verergering ervan heeft geleid. In de strijdleuzen van de nieuwe patriotten klinkt een ondertoon van agressief triomfalisme door die alleen maar tot meer frustratie en wrok kan leiden bij `de allochtonen'.

Meer dan aan het oppoetsen van oude normen en waarden hebben we behoefte aan een ethiek van de sterkere, die trouwens met evenveel recht een ethiek van de geluksvogel genoemd mag worden. Dat is er een die zich het lot van de zwakkere aantrekt zonder hem te laten merken dat hij de zwakkere is, of dat nu gebeurt door misplaatst triomfalisme of door kleinerend medelijden. Een belangrijk element van die ethiek is discretie: gestraft worden, verliezen, je ongeluk moeten accepteren, pijn of armoe lijden – het is allemaal al erg en moeilijk genoeg, het ook nog eens nodeloos openbaar maken, en erger, tot voorwerp van hoon en spot, is onverdraaglijk.

Tot de beschamendste foto's uit de Tweede Wereldoorlog reken ik, naast die waarop joden tussen drommen nieuwsgierige toeschouwers worden afgevoerd (en erger), die waarop de `moffenhoeren' worden kaalgeschoren en met pek en veren overgoten door de straten worden gevoerd. Ik begrijp de behoefte aan wraak, maar die grijnzende smoelen – het blijft walgelijk. En wat erger is: die ongeremde wraaklust bereidt het volgende onheil alweer voor. Want elke vernedering, groot of klein, roept opnieuw om wraak. Die barbaarse spiraal doorbreken kan alleen als we ons leren beheersen. De romancier Hermann Broch, die ook een van de indringendste massapsychologen was, schreef in zijn fragmentarisch gebleven Massenwahntheorie (omstreeks 1940) dat we de strijd moeten aanbinden met de ,,bezetenheid om te winnen als zodanig'', we zouden zover moeten komen dat we de ,,vreugde om de overwinning'' vervangen door het ,,verdriet om de overwinning''.

Lof van de discretie – we zouden onze kracht minder intimiderend moeten tonen, met onze rijkdom minder te koop moeten lopen, ons geluk minder demonstratief etaleren, onze overwinningen ingetogener vieren.

Als we willen dat jongeren – niet alleen de moslimjongeren, maar ook het racistische Lonsdale-meisje en haar vriendjes – zich fatsoenlijker gaan gedragen, moeten we hen allereerst zelf met fatsoen behandelen. Dan nog kan dat lang duren, en het zal niet bij iedereen helpen, maar het is de enige weg. Kees Beekmans, deskundig rapporteur van de praktijk aan een zwarte vmbo-school in Amsterdam, geeft exact aan hoe je kansarme en emotioneel verharde leerlingen moet motiveren. ,,Eigenlijk zou je zo'n veelpleger, (...) zo'n jochie tot chauffeur van prins Willem-Alexander moeten maken. Hoe trots zou die niet zijn! (...) Ik maak me sterk dat zo'n boefje in één klap genezen zou zijn. Waarom? Omdat je hem een identiteit geeft. Maak hem koning en hij zal zich als een koning gedragen.''

Daarmee herformuleert Beekmans, ik neem aan zonder het te weten, niets minder dan het kernstuk van Kants praktische filosofie van de mondigheid, geformuleerd op het hoogtepunt van de Verlichting. Aangezien het stimulerende voorbeeld van de held en de heilige was uitgewerkt, moesten de burgers er langs een andere weg toe verleid worden hun egocentrische driftleven te beheersen en zich te houden aan de strenge eisen van de categorische imperatief. Kant geloofde niet in de heilzaamheid van Pruisische discipline en tucht, de wil tot mondigheid moest vanbinnenuit komen. De idealist was genoeg realist, de filosoof genoeg psycholoog om op de hoogte te zijn van de productieve werking van de illusie, de fictie, de schijn. Zijn pedagogische stelregel luidde derhalve: behandel de burger van meet af aan als volwaardig mens, ook als we het gevoel hebben dat daar nog wel wat aan schort, en hij zal dat ook zelf gaan geloven en zich ernaar gedragen.

Lof van de discretie – dat impliceert niet alleen een zekere terughoudendheid met betrekking tot andere levens, maar ook, als consequentie daarvan, het toestaan van bewegingsruimte en beslissingsvrijheid aan de ander. Wie verantwoordelijke burgers wil, moet hun die verantwoordelijkheid geven. Opvoeden is niet veel anders dan de kunst om vast te stellen op welk moment en in welke mate dat moet gebeuren. Wie te lang onder curatele wordt gesteld, door verwennende moeders of anderszins, wordt nooit fatsoenlijk volwassen. Dat geldt voor individuen net zo goed als voor bevolkingsgroepen. Naïef? Dat zal wel. Maar zonder een zekere naïviteit is een beschaafde samenleving ondenkbaar.