Mijnheer, wat doet u nu?

In 1623 publiceerden de erven van Harman Jansz Muller in Amsterdam het Tafelspel van Kees Knol en Neel Jans. In die klucht twisten een zorgeloze dronkaard en zijn vrouw over de heerschappij in het huwelijk. Kees verliest de strijd en om zijn vrouw te paaien belooft hij haar een plezant lied te zingen. Bijvoorbeeld `Vanden ouden Hillebrant/ Hoe hy sijn Landt gaen soecken wilde'. Maar dat lied brengt Neel niet tot bedaren, en ook `Thijsken vanden Schilde' en het lied `van moy Elsselijn' bekoren haar niet. `Van sulcke Liedtjens,' zegt ze, `krijgh ick rechtevoort pis.'

De door Neel Jans gewraakte liedjes waren tachtig jaar eerder opgenomen in wat bekend werd als Het Antwerps liedboek. Van deze bundel is nu in de Deltareeks een nieuwe editie verschenen. De liedjes van Elsselijn, Thijsken en Hillebrant zijn er in terug te vinden onder nummer 29, 59 en 83. Elk van deze drie balladen had al een ruime geschiedenis vóór ze in het liedboek verschenen. Het verhaal van `Van den ouden Hillebrant' is zelfs terug te voeren tot een Oudduits epos uit de negende eeuw. Daarmee spant dit lied in ouderdom de kroon, maar ook voor de andere 220 teksten in de bundel geldt dat ze vaak al jarenlang van mond tot mond gingen eer ze gedrukt werden.

Dat Het Antwerps liedboek uitzonderlijk populair was blijkt al uit het feit dat er slechts één volledig exemplaar uit 1544 bewaard is gebleven. De rest van de minstens vijf verschenen edities is letterlijk stukgezongen. Kees Knol kende de liedjes uit zijn hoofd en het publiek van zijn tafelspel zal ze ook regelmatig gehoord of zelf gezongen hebben. De ballade van de roverhoofdman Thijsken was zelfs zo populair dat de Amsterdamse dramaturg Samuel Coster dit lied in 1613 gebruikte als bron voor zijn Spel van Tijsken vander Schilden. Veel liederen ook zijn in latere bundels opgenomen. Het is dus niet onwaarschijnlijk dat lezers van de Samen-spraek van Kees Knol en zijn wijf Neel in laat-achttiende-eeuwse almanakken nog heel goed begrepen naar welke liedjes verwezen werd. Een aantal teksten uit Het Antwerps liedboek leeft zelfs tot in onze tijd voort. Soms in een gewijzigde versie, zoals `Toen ik op Neerlands bergen stond' (een nazaat van `Ic stont op hoogen bergen'). Soms ook ongeschonden, zoals `In oostlant wil ic varen', dat in de twintigste eeuw nog op Terschelling gezongen werd.

Jan Roulans, de uitgever van het zestiende-eeuwse liedboek, had dus een vooruitziende blik. Uit het repertoire dat in Antwerpen en omgeving op pamfletten en in handschrift rondging of in kroegen en rederijkerskringen gezongen werd koos hij `veelderhande liedekens, oude ende nyeuwe, om droefheyt ende melancolie te verdrijven'. Het Schoon liedekensboeck dat hij daarmee samenstelde was een eenvoudig druksel: 221 liedteksten, in beginsel alfabetisch geordend, dicht op elkaar gedrukt in octavo oblong, zonder muzieknotatie en zonder illustraties, afgezien van een houtsnede op het titelblad. Maar dit onooglijke liedboek is van onschatbare betekenis voor onze kennis van het Nederlandse lied. Het is een van de grootste verzamelingen wereldlijke liederen uit het laat-middeleeuwse Europa en de vroegste bundeling van een dergelijke omvang die in druk verscheen. En het is vooral de inhoud die deze vroege bloemlezing tot een topstuk maakt.

Het belangrijkste thema was ook in de zestiende eeuw al de liefde. Zo'n vijftig liederen in het liedboek behelzen de liefdesklacht, vijftig anderen zijn liefdesliederen in verhalende vorm. Daaronder zijn dageraadsliederen, waarin twee gelieven na een nacht samenzijn afscheid nemen, en soms zeer scabreuze liedjes over overspel. Een heel andere categorie betreft spotliederen waarin liederlijkheid en het verbrassen van geld worden bekritiseerd. En natuurlijk kwam ook de moraal aan bod, in een kleine groep geestelijke liederen met als strekking dat men zich van het wereldse dient af te keren. Daartegenover staan aardse lofliederen, zoals dat op de landman. Dertig liederen, ten slotte, beschrijven reële, vaak politieke gebeurtenissen, zoals een veldslag of een kroning. Soms betreft dat zeer actuele gebeurtenissen, zoals in elf liederen het conflict tussen Karel V en de hertog van Gelre in 1542.

In dit brede scala wemelt het van verrassingen. Zelf heb ik mij kostelijk geamuseerd met lied nummer 70, dat uiterst neutraal inzet met `Het gheviel op eenen donderdach', maar in de derde regel al ter zake komt. Meneer de kapelaan komt de Borchstrate `ingestreken' en nodigt een daar wonende vrouw uit om samen goede sier te maken. De echtgenoot is uit varen, dus de gelegenheid is er. Maar de lusten zijn amper bevredigd, of manlief duikt op. Hij klopt op de deur en vraagt Lisken, zijn getrouwe wijf, hem binnen te laten. Als hij vervolgens vol lust in de kamer komt, vindt hij het bed beslapen en zijn vrouw vertrokken. In arren moede slaat hij de hand aan zichzelf, maar daarbij wordt hij door zijn vrouw betrapt. Die beschuldigt hem ervan de kapelaan geschokt te hebben, en er vallen klappen. De bezorgers van de Delta-editie melden in hun commentaar op dit lied nog een andere, minder scabreuze interpretatie, maar die lijkt mij onwaarschijnlijk. De dubbelzinnigheid van de tekst is bewust, met een knipoog verwoord. En met een knipoog ook eindigt het lied:

Die dit liedeken eerstwerf sanck,

Dat was een ruytergheselle.

Hi drinct veel liever den Rijnschen wijn

Dan twater uuter Schelde!

Op de linkerpagina staat in notenschrift de melodie waarop dit `oudt liedeken' gezongen kan worden, maar op de cd's die de Delta-uitgave van Het Antwerps liedboek vergezellen wordt het helaas niet uitgevoerd. Het schalkse element is bij de opnamen van Camerata Trajectina tot een minimum beperkt. De uitvoeringen zijn ook niet rauw of baldadig volks. Het zijn de rederijkers die hier zingen, niet de herbergklanten.

Niettemin is het muzikale element in deze uitgave eminent. Het Antwerps liedboek van 1544 bevat geen wijsaanduidingen. Desondanks wist Louis Grijp voor 142 liedteksten een melodie te vinden die erbij past en waarschijnlijk ook authentiek kan worden genoemd. Dat zijn er 55 meer dan Kees Vellekoop en anderen in 1972 op tafel brachten. Een groot deel van het liedboek kan nu dus werkelijk gezongen worden. Naast een muzikale verantwoording bevat deze uitgave dan ook een hoofdstuk met `Aanwijzingen voor de zanger'.

In het tekstdeel zijn de bezorgers aangenaam onzichtbaar. In het commentaardeel daarentegen blijkt hoe zorgvuldig deze Delta-editie tot stand is gekomen. Het nawoord belicht alle aspecten van keuze, drukgeschiedenis, censuur, commercieel succes, gebruik en populariteit. Het commentaar per lied is volledig, maar prettig beknopt geschreven en de registers en termenlijsten zijn meer dan bijwerk, want handzaam en doelmatig. In alle opzichten overvleugelt deze editie dan ook zijn voorgangers. En zoals alle delen in de Deltareeks is Het Antwerps liedboek prachtig vormgegeven.

Het Antwerps liedboek. Teksteditie bezorgd door Dieuwke E. van der Poel e.a. Reconstructie van de melodieën door Louis Peter Grijp. Delta/Lannoo, 491 en 593 blz. met 2 cd's, €49,95