`Mijn buurman was ook bang'

In troosteloze kampen bij Jammu wachten zo'n 40.000 hindoegezinnen al meer dan een decennium hun lot af. Terrorisme verdreef ze van hun geboortegrond in de vallei van Kashmir.

Kiran Raina verliet als een bange man met gebogen hoofd zijn huis. In het holst van de nacht, zodat niemand hem en zijn gezin kon zien. Ze hadden alleen koffers bij zich. Het was een triest vaarwel van de vallei van Kashmir, waar de familie Raina haar hele leven had gewoond. ,,We waren doodsbang. Mijn buurman, een moslim, had gezegd dat we vermoord zouden worden. Het enige alternatief was ons te bekeren tot de islam, maar dat was geen optie voor ons'', zegt Raina. ,,Dus zijn we gevlucht. We hoopten dat we na een paar maanden weer terug konden keren.''

Raina zit in zijn lichtblauwe trainingspak op een kale vloer in een kamertje met nog zes andere mannen. Het zijn allen Pandits, zoals de hindoes uit de vallei van Kashmir heten. En ze hebben allemaal eenzelfde verhaal te vertellen. Locatie: vluchtelingenkamp Nagrota, 13 kilometer buiten Jammu, de winterhoofdstad van de Indiase deelstaat Jammu en Kashmir. Inmiddels is het 14 jaar geleden dat zij hun koffers pakten.

In 1990 moesten ze noodgedwongen de vallei van Kashmir verlaten. Toegenomen terreuraanslagen van separatistische bewegingen, die streefden en nog steeds streven naar een onafhankelijk Kashmir, en aanvallen van islamitische militanten die steun kregen van Pakistan, hadden hun geboortegrond ineens veranderd in een levensgevaarlijke plek. De Pandits vormden een minderheid in de vallei, waar meer dan tweederde van de bevolking islamitisch is.

De gelatenheid straalt van het gezicht van de 42-jarige Raina af. Zelfs als hij spreekt over wat er in 1990 gebeurde, blijft hij glimlachen. ,,De beslissende dag vergeet ik nooit meer. De eerste aanslagen hadden plaats eind 1989, maar op 19 januari 1990 begonnen de moskeeën in onze wijk ineens te roepen dat de moslims zich moesten aansluiten bij de militanten, fundamentalisten, voor de strijd voor vrijheid. We werden lastiggevallen op straat, we voelden ons bedreigd. Tempels gingen in de fik, gewone burgers, hindoe's, werden vermoord. Mijn buurman was ineens mijn buurman niet meer. Wij leefden als broeders met de moslims, maar zij werden vergiftigd.''

Bansi Marhatta is genuanceerder. De 40-jarige kweker zegt: ,,Onze buren zeiden dat we terug moesten naar India, dat we niet thuishoorden in Kashmir. Dat was natuurlijk een schok. Wij zijn de oorspronkelijke bewoners van de vallei, de islam kwam veel later. Maar ze zeiden eveneens: ga nu weg, want anders vermoorden ze ons ook.''

Met zijn woorden laat Marhatta de andere kant van de medaille zien. De terreur van militanten richtte zich in de eerste instantie op militairen, politie en overheidsmensen, die als vertegenwoordigers van de centrale regering, `de vijand', werden gezien, en op de hindoe-bevolking. Maar de radicalen kenden ook geen medelijden met hun geloofsgenoten. Wie voor de overheid werkte, was verdacht. Een moslim die een gesprekje voerde met een politieagent een verrader. De repercussies waren meedogenloos.

De deelstaat Kashmir is sinds 1947 opgedeeld in een Indiaas en Pakistaans deel, na de opsplitsing van het Brits-Indiase imperium. Pakistan claimt het Indiase deel van Kashmir omdat de meerderheid van de bevolking moslim is. Sinds de afsplitsing van Pakistan hebben de buurlanden twee keer oorlog gevoerd om Kashmir. Een deel van Kashmiri's is bovendien voor onafhankelijkheid.

In Nagrota Camp kijken de bewoners daar heel anders tegen aan. Kashmir is voor hen onlosmakelijk verbonden met India. Maar zo lang er geen politieke oplossing, vallen zij tussen wal en schip. En moeten zij genoegen nemen met een marginaal bestaan in een vluchtelingenkamp. ,,Ik ga pas terug als mijn buurman hier naar toe komt en zegt: kom terug, je bent welkom'', zegt Raina.

Nagrota Camp is eigenlijk een sloppenwijk, die bereikt kan worden via een slingerweg met levensgevaarlijke haarspeldbochten, met om de zoveel kilometer wachtposten met militairen. Het is een labyrint van steegjes, met grazende biggen op afvalhopen. Aan de rand staat een tiental latrines voor een paar honderd gezinnen. Ooit was Nagrota een tentenkamp. De vluchtelingen zijn er nog steeds, maar de tenten hebben tien jaar geleden plaatsgemaakt voor kleine hokjes van steen. Voor elke familie van Pandits een kamertje en een maandelijks uitkering van ruim 50 euro. Een pijnlijke ervaring voor de doorgaans hoogopgeleide Pandits, die een comfortabel leven achter moesten laten. Nu verblijven ze vaak werkloos in een van de vier vluchtelingenkampen buiten Jammu. In totaal wonen er zo'n 40.000 gezinnen in kampen. Ruim 400.000 Pandits zijn de vallei ontvlucht sinds 1990.

In Jammu zelf probeert de relief commissioner, het hoofd van de migrantendienst, een verklaring te geven voor de uitzichtloze situatie van de Pandits. In zijn afgekloven kantoortje, met vochtplekken op de ooit gelige muren, zegt Ravi Thussu: ,,Verschillende regeringen hebben verschillend beleid gevoerd, waardoor er voor de Pandits nooit een definitieve oplossing is gevonden. Men wil ze het leven hier ook niet al te aangenaam maken, want anders gaan ze nooit meer terug.''

Thussu is vanaf begin van de uittocht van de Pandits verantwoordelijk voor hun opvang in Jammu. Het achterste van zijn tong wil hij niet laten zien, want hij is ook maar een ,,overheidsfunctionaris op een laag niveau''. ,,De migratie was abrupt. Niemand wist dat het zo lang zou duren. De kampen waren gehaast opgezet. Wat krijg je vervolgens? Geen perfecte arrangementen. We gaan nu toch maar kijken of er iets gedaan kan worden aan de werkeloosheid in de kampen, want zo lang er geen uitsluitsel komt over Kashmir blijft het lot van de Pandits ongewis.''

Afsluitend deel van een tweeluik over de Pandits. De eerste aflevering verscheen op 21 december.