`Kleur bekennen,

De Stadsschouwburg in Amsterdam was al bijna twee maanden dicht. Sinds begin november kon er niet meer worden gespeeld wegens het ontbreken van licht en verwarming. De acteurs van het Gemeentelijk Theaterbedrijf zaten thuis, en vroegen zich voornamelijk af waar ze nog iets te eten zouden kunnen vinden. Iedereen wachtte op het einde van de oorlog. In december meldde De Telegraaf, inmiddels verschrompeld tot vier paginaatjes op piepklein formaat, dat er op nieuwjaarsdag hoogstwaarschijnlijk geen Gijsbreght te zien zou zijn. Voor het eerst dreigde er te worden gebroken met een traditie die al ruim drie eeuwen had standgehouden. `De tijdsomstandigheden', zoals de bezetting eufemistisch heette, zouden het hoogstwaarschijnlijk onmogelijk maken het treurspel van Joost van den Vondel ook dit jaar te spelen.

En toch is er ook op 1 januari 1945 een Gijsbreght opgevoerd, 's middags, in een vrieskoude – maar tot de nok toe gevulde – Stadsschouwburg die speciaal voor deze gelegenheid een paar uur open was. Ineke van Dort fietste die dag, als zestienjarige, van Haarlem naar Amsterdam, op een fiets met massieve banden, om het stuk te zien. ,,Het was een onvergetelijke voorstelling'', zegt ze zestig jaar later.

De directies van de Stadsschouwburg en het Gemeentelijk Theaterbedrijf hadden snel gehandeld. Nog op 13 december 1944 schreef een commentator van De Telegraaf op strenge toon dat een nieuwjaarsdag zonder Gijsbreght een schande zou zijn. De acteurs moesten de kou maar weerstaan, vond hij: ,,Toneelspelers en -speelsters van vandaag, weest soldaten van de Kunst. Ga door dik en dun om het Volk een geestelijk houvast te geven.'' Maar daarna kwam de zaak pas echt op gang, toen de Amsterdamse burgemeester E.J. Voûte er bij de schouwburg op aandrong de Gijsbreght-traditie toch nog in ere te houden. Een verzoek van de pro-Duitse burgemeester stond min of meer gelijk aan een bevel.

Voor een geheel nieuwe enscenering ontbraken echter de tijd en de middelen. In minder dan twee weken moest er een voorstelling in elkaar worden gezet. Men kon niet anders dan nog eens teruggrijpen op de versie die in januari 1943 was gespeeld en ook in januari 1944 al was herhaald. Ook de rolbezetting kon nagenoeg onveranderd blijven. Bijna alle acteurs waren bij het Gemeentelijk Theaterbedrijf gebleven, al was het maar vanwege de financiële zekerheid die zo'n vast dienstverband (met een aanvangssalaris van 120 gulden per maand) in deze benarde tijden bood. Zelfs nu er sinds november niet meer werd gespeeld, gingen de betalingen door. Bovendien kregen de mannen die bij het gezelschap werkten, dispensatie voor de verplichte tewerkstelling in Duitsland.

Het Gemeentelijk Theaterbedrijf had dan ook een comfortabele positie. Het was in 1941 opgericht, met een toneel- en een opera-afdeling, na een fusie van diverse kleinere gezelschappen. Op hoog bevel van de bezetters moest er één groot, prestigieus gezelschap voor de Stadsschouwburg komen, dat ruimhartig zou worden gesubsidieerd – toen reguliere overheidssubsidies voor het theater nog nauwelijks bestonden. De toneelafdeling werd geleid door de vooraanstaande acteur en regisseur Cor van der Lugt Melsert. Dat zijn koers werd gekenmerkt door voorzichtigheid, sprak vanzelf. Het repertoire bestond voornamelijk uit klassieke stukken en blijspelen, die bij de Duitse censuur geen moeilijkheden zouden veroorzaakten.

Kleine coupure

Het eerste gezelschap des lands had tevens de taak de jaarlijkse Gijsbreght te spelen, met een première op nieuwjaarsdag. Elk jaar zorgde Van der Lugt voor een nieuwe enscenering. Maar in 1943 kwam een kleine coupure in het stuk hem toch nog op felle kritiek te staan. Hij had besloten iets weg te laten uit de tekst van de aartsengel Gabriël, die tenslotte de uit Amsterdam verjaagde Heer van Aemstel oproept in ballingschap te gaan. Het was Gods wil, aldus Gabriël, dat Gijsbreght naar ,,'t vette lant van Pruissen'' zou gaan om daar een nieuwe stad (,,Nieuw Hollant'') te bouwen en bij te komen van al zijn bekommernissen. Deze passage, zo vreesde Van der Lugt, zou bij het publiek een verkeerde indruk kunnen wekken. Nu het nazi-bewind Nederlandse boeren opriep om zich in de bezette gebieden in Oost-Europa te vestigen, zou de tekst van Gabriël als Duitse propaganda kunnen worden opgevat. En daarvan wilde Van der Lugt niet worden beschuldigd; hij deed zijn uiterste best tussen alle klippen door te laveren.

De recensent van het blad Storm SS doorzag hem echter. ,,Wat écht-Nederlands, kloek en manmoedig van de grote Cor!'' hoonde hij. ,,Kleur bekennen, waarde heer. Van tweeën één. Met dit gekwakkel zult gij het bij beide partijen verbeuren.''

Korte tijd later trad Van der Lugt om ,,gezondheidsredenen'' af. Of de kritiek daar iets mee te maken had, is niet bekend. Evenmin valt nog te achterhalen of de woorden van Gabriël ook in 1944, door de nieuwe artistiek leider Ben Royaards, werden geschrapt. Maar waarschijnlijk konden ze toen geen kwaad meer; aan de zogenaamde ,,Oostkolonisatie'' was immers door het oorlogsverloop allang een eind gekomen.

Bij zijn aantreden had Royaards tegenover De Telegraaf ,,een geheel nieuwe en verjongde Gijsbreght-voorstelling'' beloofd, waarin hij zelf de titelrol zou spelen. Zo ver zou het echter niet meer komen. Toen burgemeester Voûte alsnog een voorstelling op 1 januari 1945 wenste, zat er niets anders op dan een herhaling van de twee voorgaande jaren, met John Gobau als Gijsbreght en Magda Janssens als Badeloch.

De advertenties verschenen op 29 en 30 december 1944 in het Algemeen Handelsblad en De Telegraaf: ,,Stadsschouwburg. Maandag 1 Januari 1.30 precies Gijsbreght van Aemstel, Treurspel. Prijzen f 5.- f 4.- f 3.- f 2.- f 1.- Plaatsbespreken dag. 11 tot 3.'' Verdere details ontbraken, zelfs het gezelschap werd niet genoemd. Maar het was genoeg. Binnen enkele uren werden alle kaartjes verkocht; daarna kreeg nog menigeen te horen dat het uitverkocht was.

In de vijfde klas van de Middelbare Meisjesschool in Haarlem, die nu eveneens wegens brandstofgebrek gesloten was, had de leraar Nederlands een paar maanden eerder het treurspel van Vondel behandeld. ,,Het thema van de bezette stad sprak ons erg aan'', aldus Ineke van Dort. ,,Toen ik dus in de krant las, dat er op 1 januari een opvoering zou plaatsvinden, stond voor mij vast dat ik daar heen wilde.'' Een vriend die de Zweedse nationaliteit bezat en daarom geen gevaar liep om te worden opgepakt voor werk in Duitsland, zorgde voor de kaartjes. Samen maakten ze de fietstocht naar Amsterdam. ,,In Halfweg zijn we even gestopt om staande ons zelf meegenomen brood op te eten. Het vroor.''

Ook de toneelspelers hadden het koud, blijkens een verslag in Het Volk: ,,Op het toneel, in de ijzige tocht tussen de decordeuren, de luiken en de kap was het vier graden Celsius, zodat alle medespelenden van de Gijsbreght zonder uitzondering een flinke kou hebben gevat op nieuwjaarsdag en velen met het typisch Hollandse `hemelse gerecht' van een ouderwetse verkoudheid nu in bed liggen.''

Van de dertig acteurs die die middag optraden, zijn er nog drie in leven. Eén is echter niet meer aanspreekbaar. Zodra het over die voorstelling van zestig jaar geleden, beginnen de andere twee meteen over de kou. ,,Ik herinner me nog hoe bitter koud het was'', zegt Wim Hoddes (86), die in de groep Hoplieden meespeelde. ,,En licht was er ook niet, ik meen dat er waxinelichtjes waren neergezet.'' Ook weet hij nog wat de acteur Johan Elsensohn toen over zijn collega Magda Janssens zei: ,,Ja, die speelt alsof het ijs in haar navel staat.'' Elsensohn bedoelde dat ze ondanks de barre omstandigheden door dik en dun ging, aldus Hoddes. ,,Ze liet zich niet remmen.''

,,De schouwburg was onverwarmd'', beaamt Elisabeth Andersen (84), die in de Rey van Amsterdamsche Maeghden, de Rey van Klaerissen en de Rey van Burghzaten stond. ,,Wij moesten ons verkleden aan de overkant van de Marnixstraat, in een schoolgebouw dat nu het Nieuwe de la Mar-theater is. Ze hadden een schoollokaal voor de mannen ingericht en een lokaal voor de vrouwen, waar een roodgloeiend gestookte kachel stond.''

Duitse jood

Elisabeth Andersen was, net als Wim Hoddes, in 1942 in dienst getreden bij het Gemeentelijk Theaterbedrijf, rechtstreeks van de toneelschool. Haar situatie was precair; ze had een verhouding met een Duits-joodse emigrant die bij haar was ondergedoken. De officiële instanties wisten niet beter of ze deelde haar benedenwoning met enkele toneelschoolvriendinnen.

Dat er op die nieuwjaarsmiddag geen kachel in de Stadsschouwburg stond was toe te schrijven aan de brandweervoorschriften. Volgens de regels mocht achter het toneel geen kachel worden gestookt en de brandweer zag ook nu geen aanleiding met die regels de hand te lichten. ,,Op zichzelf mooi'', schreef Het Volk. ,,Maar in een tijd van nood als deze mag geen enkele instantie, zelfs niet onze Amsterdamse brandweer, vasthouden aan vooroorlogse maatstaven. Desnoods had men bij de kachels een brandweerman kunnen zetten, maar iets warmer dan vier graden Celsius had het toch wel mogen zijn voor de spelers, die soms doodstil – de gestorven Arend! – een kwartier of een half uur op het toneel moeten zijn. Tenslotte zitten allerlei ambtelijke instanties nog hele dagen bij warme kachels en eigenlijk is de kunstenaar en de kunst ook wel zo belangrijk, dat er nog eens wat hout of kolen af moeten kunnen.''

Het mocht echter niet zo zijn. Achter het toneel was het even koud als in de zaal. ,,Maar... (misschien vanwege de kou!) er zat gang in de voorstelling'', noteerde de schrijver H.C.J. Roelvink in een plakboekje dat hij bijhield van zijn toneelbezoeken.

Eén versregel van Vondel moet veler harten hebben verwarmd: ,,De liefde tot zijn land is ieder aangeboren...'' Wim Hoddes herinnert zich, dat er bij die passage werd geapplaudisseerd. ,,De mensen in de zaal gaven door hun bezoek blijk van hun vaderlanderschap'', vult Elisabeth Andersen aan.

Diepe indruk maakte voorts de treurzang van bisschop Gozewijn, als de stad bijna voor de vijand is gevallen: ,,Het loopt met Amsterdam, gelijck ghy hoort, ten ende/ en wij verwachten deel aen d'algemeene ellende...'' De recensent van De Telegraaf durfde zelfs te schrijven hoe actueel deze verzuchting was: ,,nu zoveel zekerheden van weleer zijn weggevallen rondom ons, nu ook wij niet weten wat de nabije toekomst ons en onze stad zal brengen.'' Dat moet een gewaagde opmerking zijn geweest.

,,Vondels verzen immers mogen zichzelf gelijk zijn gebleven'', ging de criticus verder, ,,de hoorder van 1945 is niet meer de hoorder van 1944 of vroegere jaren. Het treurspel van Amsterdams ondergang kreeg thans diepere zin dan ooit te voren.'' Om, na nog wat meer variaties op dit thema, te besluiten met: ,,Hoe graag had men de gedachten van zijn medemensen willen raden, ware het niet, dat men aan zijn gedachten genoeg had.''

Zijn collega van het Algemeen Handelsblad hield het liever op een positieve beoordeling van ieders prestaties, maar ook hij liet in de slotalinea iets van zijn gevoelens blijken: ,,Zo is er alle reden om met grote dankbaarheid aan deze innige, eerlijke en verheffende Gijsbreght-voorstelling terug te denken en de hoop uit te spreken, dat zij, ondanks de moeilijkheden, nog vaak kan worden herhaald.''

Maar het bleef bij die ene middag. Nog ruim vijf maanden bleef de Stadsschouwburg dicht. Pas op 6 juni 1945 volgde de feestelijke heropening met Vrij Volk, een gelegenheidsvoorstelling door acteurs die geweigerd hadden voor de Kultuurkamer te tekenen. Korte tijd waren de collega's die hadden doorgespeeld, niet meer welkom in de schouwburg. Het Gemeentelijk Theaterbedrijf werd ontbonden.

Slechts bij een enkeling leeft nog de herinnering aan die ene Gijsbreght. ,,Het was niet zo maar een middagje toneel, met onze jassen aan in een koude, schaars verlichte schouwburg'', zegt Ineke van Dort. ,,Wat de toekomst ons ook mocht brengen – in deze grimmige wereld was er op dat moment een gevoel van saamhorigheid. Voor mij een onvergetelijke belevenis.''

In de nadagen van de Tweede Wereldoorlog lukte het maar ternauwernood de traditionele `Gijsbreght' op de voeren. Ondanks de kou, en dankzij een bevel van de foute burgemeester E.J. Voûte.