Hip is maar zelden een vrouw

Wat is het verschil tussen hip en cool? En waarom kan iets dat hip was, makkelijk camp worden, maar nooit cool?

Wat is hip? Het woord stamt uit de West-Afrikaanse talen die slaven meenamen naar Amerika, en het is afgeleid van hepi (`zien') of hipi (`de ogen openen'). Daarmee werd een subversieve vorm van communicatie aangeduid, waarbij woorden altijd tenminste twee betekenissen hadden; een dubbele codering die de blanke slavenhouders niet snapten. In Hip. The History houdt journalist John Leland het op niet minder dan enlightenment. Hip is een vorm van rebellie met als doel het bereiken van autonomie. Hip wijst conventionele levensdoelen als het gezin, de vaste baan en het eigen huis af. Hip gelooft niet in Vooruitgang, leeft in het moment, improviseert en staat nauwelijks stil bij de toekomst of het verleden. Hip accepteert zijn onvolkomenheden en streeft niet naar perfectie. Hip is individualistisch, hoewel hip vaak samenklontert in een kliek. Hip is eclectisch; een hippe purist is al snel een nerd. Hip is emotioneel afstandelijk. Hip is leven in een ritme. Hip is stijl. En nog iets: hip is meestal een man.

Maar is hip hier wel het goede woord? Heeft Leland het eigenlijk niet over cool? Hip is maakbaar, je kunt het kopen in de winkel. Cool is niet maakbaar, je hebt het of je hebt het niet. Cool is tijdloos, of heeft in ieder geval een zeer lange adem. Neem Marlon Brando. Onlangs werd bekend dat zijn nabestaanden het portretrecht van de overledene strak hebben laten vastleggen. Waarom is dat nodig? Omdat Brando in de motorfilm The Wild One (1953) nog steeds buitengewoon cool is en dus een populaire afbeelding voor T-shirts en koffiemokken – met die spijkerbroek, het leren jasje en de schuine pet. Brando is zelfs zo cool dat een van de coolste bands van het moment, The Black Rebel Motorcycle Club, zich heeft vernoemd naar de motorbende uit die film.

Hip daarentegen gaat meestal maar een jaartje mee en leeft daarna hoogstens voort als camp. Camp is niet cool. Hip is modieus, cool is modern. Cool is afstand bewaren tot je eigen tijd, hip is volledig samenvallen met de tijd waarin je leeft. Hip kan je gemakkelijk kwijtraken, met cool is dat veel lastiger. De dikke, lispelende, zwetende Mr. Kurtz van Brando in Apocalypse Now (1979) is nog steeds cool.

Dope

Hip. The History gaat dus eigenlijk niet over hip, maar over cool. Leland beschouwt hip en cool (en down, beat, fresh, rad, phat, tight en dope) in zijn geschiedenis van hip als synoniemen, maar dat is een vergissing. Misschien komt dat doordat de woorden hip en cool in de Verenigde Staten net iets andere connotaties hebben dan in Nederland. In het Nederlands is hip een lullig woordje dat associaties oproept met oranje behang en zitkuilen. Wie het woord hip in de mond neemt, is het zelf in ieder geval niet. Misschien is dat in Amerika anders.

Over cool als levenshouding, heeft Leland niettemin veel te zeggen. Zijn boek is het bewijs dat hip – ik hou Lelands terminologie voor het gemak toch maar aan – inmiddels een bij uitstek middle brow-concept is, zonder gevaarlijk randjes. `Hipsters' zijn volgens hem de stoottroepen van maatschappelijke en artistieke vernieuwing. Hip en de mainstream van de samenleving en cultuur zijn in zijn visie een min of meer gelukkig huwelijk aangegaan. Je hebt zowel het een als het ander nodig in een levendige cultuur.

Dat beeld is eigenlijk veel te harmonieus. Leland heeft geen oog voor het noodzakelijke nihilisme van veel hipsters. Voordat er iets nieuws kan ontstaan, moet er eerst heel veel opgeruimd worden. Hipsters, van Johnny Rotten tot Bob Dylan, zijn goede haters. Met de serene houding van Leland word je nooit hip. Veelzeggend is dat in zijn inventarisatie van de elementen van hip psychiatrische ziekten en zelfmoord nauwelijks een rol spelen. Geen Sylvia Plath, geen Van Gogh. Maar Leland kent zijn beperkingen. `There is something inescapably nerdy about compiling a history of hip', bekent hij in het voorwoord. Dat geldt trouwens ook voor het schrijven van een artikel over de geschiedenis van hip, en helemaal voor het lezen ervan. We zijn dus onder elkaar.

Hip is volgens Leland iets typisch Amerikaans; `it is the signature American style, the face the New World invented to shake of the Old.' Hier maakt Leland zich zelf schuldig aan wat chauvinistisch purisme. Natuurlijk hebben de Verenigde Staten verreweg de meeste invloed gehad op wat we als hip zijn gaan beschouwen. Maar het is ook zo dat veel van die coole Amerikanen niet wisten hoe snel ze in Europa moesten komen, van Ernest Hemingway en Miles Davis tot Johnny Depp. Je kunt eigenlijk geen geschiedenis van hip schrijven en de negentiende-eeuwse Parijse bohème, de apocalyptische visioenen van William Blake, het zwerversleven van Rimbaud, de experimenteerdrift van de surrealisten en de slogans van de situationisten buiten beschouwing laten. Lelands boek is wel prima te gebruiken als inleiding op leven en werk van een aantal van de beste schrijvers en musici die de Verenigde Staten hebben voortgebracht.

Bebop

De stamboom van hip is volgens Leland ook puur Amerikaans: van de slavernij, naar het non-conformisme van de eerste grote Amerikaanse schrijvers Melville, Emerson en Whitman, door naar de bohème van Greenwich Village voor de Eerste Wereldoorlog, dan de blues, de Harlem Renaissance in de jaren twintig, de hard-boiled detective-roman en film noir, een omweg naar bebop, cool jazz en de beat generation, een hoofdstuk over Bugs Bunny, en eindigend bij punk rock, hip hop en het internet. Daarnaast heeft hij thematische hoofdstukken: over de rol van drugs, de aantrekkingskracht van misdadigers (`outlaws') als rolmodellen voor hipsters en de precaire positie van hippe vrouwen.

Hij eindigt met een bekende kwestie: is hip opgeslokt door de commercie? Antwoord: nee. Ook hierin is Leland een goedmoedig dialecticus. Weliswaar bestaat er niet echt een eenvormige, puriteinse middenklasse meer om je tegen af te zetten en worden veel hippe stijlen onmiddellijk opgepikt door reclamemakers, maar dat is volgens Leland niets nieuws. Hip en de markt zijn volgens hem al met elkaar verbonden sinds de deportatie van de eerste slaven naar de Nieuwe Wereld. Adverteerders maakten al in de jaren vijftig reclame met beatnik-sweaters, om maar wat te noemen. De nadruk die hip legt op leven-in-het-moment sluit bovendien perfect aan bij de markt, die constant zoekt naar nieuwe impulsen. Cruciaal is volgens Leland de verhouding tussen hip en commercie. De balans mag niet te veel door slaan: naar hol materialisme of naar slaapverwekkend, geïsoleerd purisme. Juist de wisselwerking met commercie geeft hip relevantie.

Zijn exclusief Amerikaanse blik maakt dat Leland veel aandacht besteedt aan de relatie zwart-blank in de geschiedenis van hip. Hij bestrijdt energiek de white boy stole the blues-mythe, waarmee veel blanke artiesten, van Elvis tot Eminem, zijn achtervolgd. De werkelijke verhoudingen tussen zwarte en blanke cultuur zijn aanzienlijk complexer dan het simpele goed-kwaad schema van de witte industrie die zwarte creativiteit smoort, vindt hij. Charlie Parker leende van Stravinsky, Ralph Ellison van Dostojevski. Uiteindelijk zijn zwart en wit niet uit elkaar te houden: dat is juist de kern van hip. Niettemin heeft Leland de raciale relaties minutieus getraceerd, met speciale aandacht voor die tussen zwarte en joodse Amerikanen.

Zijn belangrijkste inspiratiebron hierbij is Norman Mailers essay uit de jaren vijftig `The White Negro. Superficial reflections on the hipster'. Mailer definieerde de hipster daarin als iemand die leeft zonder wortels, die afgesneden is van de samenleving en die alleen gehoor geeft aan `the rebellious imperatives of the self'. De hipster moedigt de `psychopaat in zichzelf' aan. En `The Negro' was volgens Mailer het rolmodel voor deze levensfilosofie; een nogal dubieuze eer. Als geen ander wist `de Neger' immers wat het betekent afgesneden te zijn van de (racistische) samenleving. Zijn enige keus was: voortdurende vernederingen ondergaan, of kiezen voor `de overlevingskunst van het primitieve'. Leland, de postmderne eclecticus, neemt dat min of meer over – zonder de racistische aannames van Mailer, maar ook zonder de scherpte. Toch heeft hij een punt als hij erop wijst dat de beroemde (ironische) song van Lou Reed: `I wanna be black' niet letterlijk genomen moet worden. Hip draait om het verdubbelen van identiteiten, het aannemen van nieuwe rollen en jezelf opnieuw uitvinden – niet om het inruilen van de ene enkelvoudige identiteit voor de andere. Herman Brood zat dichter bij de kern toen hij zong: `I don't wanna be white no more'.

Voor wie bij wil blijven geeft Leland ten slotte nog een – nu al gedateerd – lijstje van wat op dit moment hip is: `coke (again), trucker hats, homo thugs, retro afros, redneck rock, bling, bikram yoga, new wave (again!), McSweeney's, pole dancing, metrosexuality, vicodin, ``extreme'' everything, flash mobs, the return of no wave.'

Hier is het woord hip wél in de goede betekenis gebruikt.

John Leland: Hip. The History. Ecco, 386 blz. €29,50