Het lievelingetje van de lezer

In een kartonnen doos vond de dochter van René Goscinny 80 onbekende verhalen over Frankrijks beroemdste schooljongen. Volwassenheid is een voortzetting van de kindertijd met andere middelen.

De geschiedenis van de wereldliteratuur wemelt van de werken die verloren gingen. Euripides schreef 92 tragedies; er zijn er maar zeventien overgeleverd. Tacitus boekstaafde de geschiedenis van de eerste Romeinse keizers in zijn Annales; de delen 7 tot en met 10, met onder meer het spectaculaire optreden van Caligula, zijn nooit teruggevonden. Nikolaj Gogol schreef een vervolg op zijn beroemde roman Dode zielen (1842), maar gooide het in een vlaag van verstandsverbijstering in het vuur. Literatuurwetenschappers zouden er een moord voor doen om dit soort boeken nog eens in te kunnen zien. Andere lezers trouwens ook: in Umberto Eco's roman De naam van de roos gaat een oude monnik door roeien en ruiten om het tweede boek van Aristoteles' Poëtica voor zichzelf te houden; want een openbaar gemaakte verdediging van de lach zou het serieuze gehalte van de wereld wel eens kunnen aantasten.

Het lot van het Aristoteles-manuscript in De naam van de roos is droevig – het verwijnt in de vlammen, zoals zoveel literaire meesterwerken. Gelukkig is er af en toe ook iets dat terugkomt uit de vergeetputten van het verleden. Neem de tachtig onbekende, onlangs in boekvorm verschenen `Petit Nicolas'-verhalen van René Goscinny (1926-1977) en illustrator Jean-Jacques Sempé (1932). Een kwart eeuw na de dood van Goscinny, de legendarische scenarioschrijver van Astérix en Lucky Luke, trof zijn dochter Anne bij een verhuizing een kartonnen doos vol getypte doorslagen met verhalen over Frankrijks beroemdste schooljongetje aan. Ze las er een paar in de verwachting van het feest der herkenning; per slot van rekening behoorden de in vijf pockets verzamelde Petit Nicolas-verhalen al sinds de jaren zestig tot het collectieve geheugen van heel Frankrijk. Maar ze herkende alleen de vertelstem van haar vader. De verhalen waren allemaal nieuw, of liever: nooit meer gepubliceerd nadat ze wekelijks waren verschenen in de regionale krant Sud-Ouest Dimanche.

Met de publicatie van de Histoires inédites du Petit Nicolas, twee maanden geleden, is het aantal verhalen over de kleine Nicolaas en zijn copains in één keer verdubbeld. Het is alsof er plotseling twee nieuwe Winnie-the-Poohboeken uit het Honderdbunderbos tevoorschijn komen, of honderd Jip en Janneke-verhalen uit een gat in de heg; maar omdat Goscinny zijn verhalen zowel voor volwassenen als voor kinderen schreef, kun je nog beter een vergelijking trekken met de (helaas denkbeeldige) vondst van een tweede serie van de `Marcovaldo'-verhalen van Italo Calvino. Geen wonder dat in Frankrijk binnen korte tijd een half miljoen exemplaren van de nieuwe bundel werden verkocht. In Duitsland en Engeland zijn de vertalers al hard bezig, maar in Nederland is het tot nu toe stil gebleven. Jammer, maar voorspelbaar, want hier werden slechts twee van de vijf oorspronkelijke bundels, Le petit Nicolas (1960) en Les récrés du petit Nicolas (1961), vertaald, en die verdwenen al lang geleden in de ramsj. De sublieme verhaaltjes zullen dus niet veel meer aan kinderen worden voorgelezen; een enkele wordt hoogstens gebruikt in de Franse les op de middelbare school, omdat de simpele en grappige taal de ideale kost is voor beginnende lezers Frans.

De kleine Nicolaas werd door Goscinny drie jaar eerder verzonnen dan Astérix, in 1956. Samen met een jonge tekenaar uit Bordeaux, Jean-Jacques Sempé, maakte hij een strip die het een jaar lang uithield in het tweewekelijkse Belgische blad Le Moustique. De serie stopte omdat Sempé besefte dat hij geen striptekenaar was; maar twee jaar later werd op verzoek van de directeur van de Sud-Ouest Dimanche de formule aangepast. Goscinny schreef korte verhaaltjes (ca 1500 woorden), waarin hij in de huid kroop van een zevenjarig jongetje (met het bijbehorende taalgebruik, vol `chouette' en `terrible', en Sempé maakte er een stuk of vijf tekeningen bij – in een karikaturale, scherp-gelijnde stijl die het midden houdt tussen die van Fiep Westendorp en de Amerikaanse cartoonist Saul Steinberg.

Vier jaar lang verscheen er iedere zondag een plakje uit het leven van een gewoon jongetje met een hoop ondeugende vriendjes, die omringd wordt door o zo herkenbare volwassenen: goedburgerlijke ouders, een even lieve als wanhopige juf, een boze buurman, een getapte oom en niet te vergeten de strenge surveillant op het schoolplein die door de oudere jongens de Bouillon wordt genoemd omdat hij altijd `kijk me in de ogen' zegt (een grap die Nicolaas eigenlijk niet begrijpt, zelfs al weet hij dat er oogjes in de bouillon drijven). Zijn inspiratie haalde Goscinny uit zijn eigen jeugd, maar hij hield zich bij de belevingswereld van een lagere-schooljongetje; in de inmiddels klassieke verhalen komt er een inspecteur op school, graven papa en Nicolaas kuilen op een vakantiestrand, gaat iedereen postzegels verzamelen of komt oma op bezoek; in de Histoires inédites wordt er onder meer gewinkeld, verhuisd en gedineerd, en gaat de ik-figuur naar de kermis, het circus, de bijles en diverse verjaardagen. Alles wat Nicolaas doet loopt uit de hand, of het nu een spelletje croquet met de buurman is of het oplossen van een kruiswoordraadsel. Tot dit laatste wordt Nicolaas gedwongen door zijn vader, maar als hij de vakjes nogal onconventioneel heeft ingevuld, moet hij toegeven dat het `heel leerzaam' is: `Wisten jullie bijvoorbeeld dat een `xmp' een zoogdier uit onze streken is dat herkauwt en ons haar melk geeft?'

Een typisch Petit Nicolas-verhaal begint plompverloren en droogkomisch: `Papa kwam het huis binnen met een grote glimlach. ,,Mijn gezinnetje zal tevreden zijn,'' zei hij, ,,ik heb een leuke verrassing voor jullie. Kijk uit het raam en zeg me wat jullie zien.'' ,,Ik zie een politieagent die bezig is een bekeuring uit te schrijven voor een groene auto,'' zei mama.' Vader rent naar buiten om verhaal te halen bij de agent (`Ik waarschuw u dat ik zeer hooggeplaatste vrienden heb' – `es te beter, misschien kunnen die u geld lenen om deze boete te betalen'); waarna hij ruzie krijgt met moeder omdat hij haar niet in de aankoop heeft gekend en met de buurman die hem uitlacht om de kleur en het type auto. De clou van dit verhaal, `La bonne surprise', is bij uitzondering niet heel sterk (vader krijgt nóg twee bonnen); maar de terugkerende grap (`U zult heel wat te vertellen hebben aan uw hooggeplaatste vrienden') is goed; en er zijn tientallen andere verhalen waarin de laatste alinea wél perfect is. Zo spreekt in `Le cirque' de dompteur zijn bewondering uit voor de juf die Nicolaas' klas onder de duim moet houden, en constateert Nicolaas in `La leçon' tevreden dat hij veel profijt heeft gehad van een eenmalige bijles omdat hij de volgende dag niet meer de slechtste bij rekenen was – de ergste domkop was na een ziekte weer terug in de klas.

Het is de manier waarop Nicolaas verslag doet van zijn belevenissen die de verhalen hun kracht geven; een mislukte poppenkast van een goedbedoelende vader, een roerig familiediner en een desastreus tochtje door de natuur lopen binnen een mum van tijd uit op literaire slapstick. In de Astérix- en Iznogoudh-albums toonde Goscinny zich de meester van de woordspeling en de running gag; in Petit Nicolas leeft hij zich uit in geestige kinderlogica (`dat is de ladder waarop ik niet mag klimmen als ze het zien'; `'s avonds heb ik doorgaans geen slaap'; `als je me nog een keer een klikspaan noemt, zeg ik het tegen mama'), en vooral in dramatic irony. Nicolaas registreert alles om zich heen, maar begrijpt meestal niet wat er precies gaande is. Hij neemt de sarcastische opmerkingen van zijn vader, zijn moeder en de buurman letterlijk, en vertelt de lezer voortdurend dingen die hij of zij al weet maar graag nog een keer hoort. Bijvoorbeeld dat de studiebol Agnan het lievelingetje van de juf is (`le chouchou de la maîtresse') en dat je hem niet mag slaan omdat hij bril draagt; dat Eudes, het prototype van de vechtlustige Galliër, voortdurend mensen op hun neus stompt; of dat Nicolaas overweegt om weg te lopen van huis en dat iedereen daar nog heel veel spijt van zal hebben.

De Nicolaasverhalen zijn vast geworteld in de veilige jaren vijftig, toen mannen nog niet streken, vrouwen nog niet reden en de krant (en niet de televisie) het venster was op de wereld. Tegelijkertijd gaan ze over de eeuwige constanten van opvoeden en opgroeien: ouders die kibbelen waar de kinderen bij zijn, jongetjes die geheime clubs oprichten, vaders die te moe zijn om na het werk nog iets voor de andere familieleden te betekenen, leerlingen die zichzelf moeten handhaven in de klas en op het schoolplein. Goscinny en Sempé scheppen er bovendien plezier in om duidelijk te maken dat de volwassenheid een voortzetting van de kindertijd is met andere middelen. In de pesterijtjes tussen vader en de buurman zie je het geruzie tussen Nicolaas en zijn vriendjes terug; als een van de copains een mooi cadeau krijgt, kun je er donder op zeggen dat een ouder ermee gaat spelen; wanneer er een bezoek aan de dierentuin wordt gebracht, is vader degene die het meest geboeid is. En in een van de mooiste `onuitgegeven geschiedenissen' brengt Nicolaas een verrassingsbezoek aan het kantoor van zijn vader, waar alle werknemers zich overgeven aan domme geintjes en gemopper op de baas. `Le Bureau' heet dit verhaal – net als de tragikomische roman van J.J.Voskuil over de weigering om mee te doen aan de volwassen wereld.

Goscinny & Sempé: Histoires inédites du Petit Nicolas. IMAV éditions (Gallimard), 640 blz. €31,72