Het is godslasterlijk om aan God eigenschappen toe te schrijven die wij in onszelf verwerpelijk vinden

De bedoeling van heilige teksten is niet om van God een vervelende kleine tiran te maken, al gebeurt dat op allerlei plaatsen wel. Door de teksten heen schemert het ideaal van de God van liefde, barmhartigheid en recht. Guus Kuijer kreeg in Spanje een verhelderende openbaring.

Ik ben in Spanje. Het laatste wat ik van huis meenam was de mededeling van de heer Donner dat hij de wet op de godslastering wilde aanscherpen. Ver van het opgewonden vaderland deed ik een opmerkelijke ontdekking: de heer Donner en ik zijn zielsverwanten. Ik, als ongelovige, word al jarenlang diep en onherstelbaar gekwetst in mijn afwezige religieuze gevoelens door gelovigen van alle gezindten. Het is waar dat ik God beschouw als een menselijk bedenksel. Menigeen denkt dat ik om die reden op Hem of op de godsdienst neerkijk. Dat is een eigenaardige conclusie, want de muziek van Bach is eveneens een menselijk bedenksel dat, zoals iedereen weet, goddelijk is. Stel u voor dat de jaarlijkse uitvoering van de Matthäuspassion zou worden gespeeld op wohltemperierte cirkelzagen, zou dat dan niet uw rotsvaste gevoel voor waarden en normen op zijn grondvesten doen beven?

God is een menselijk idee, maar het is een groots idee. Dat idee kan worden belasterd. De orthodoxe gelovige heeft zolang met zijn cirkelzaag op God ingezaagd tot Hij is geworden tot een kleinzielig mannetje. Scherp de wet op de godslastering aan!

God is klein begonnen. Als een kwade, dan wel goede geest, die met rituele zang en dans gunstig kon worden gestemd. Hij ontwikkelde zich naar een machtig persoon, die bijvoorbeeld over de wind ging of over het onweer, hij groeide door naar een nationale God die de vijand mores leerde en ten slotte verscheen de universele God zoals wij die kennen uit de heilige teksten, de bijbel en de koran.

Wie is die God? Die God is het verlangen naar meer liefde, barmhartigheid en rechtvaardigheid tussen de mensen. Die God is een ideaal. Zowel de bijbel als de koran zit nog vol verwijzingen naar de kleinere god, maar het ideaal van de grote God van de liefde, de barmhartigheid en het recht schemert door de teksten heen.

De eerste godslastering is dat die God niet zou begrijpen wat tekst is.

Laat ik ervan uitgaan dat God zijn boodschap aan een profeet of meerdere profeten heeft gedicteerd. Ik morrel niet aan die opvatting.

Maar ook al hebben we te maken met openbaring, dan nog blijft overeind dat Zijn woord werd uitgedrukt in menselijke taal. Bach schreef zijn muziek op in notenschrift, maar iedere musicus weet dat als je speelt wat er staat, zoals een computer zou doen, je geen muziek te horen krijgt maar gejengel. Iedere vertolking is een interpretatie en als het dat niet is, is het een vernedering van Bachs genie. Het idee dat God niet weet wat iedere musicus weet, is godslasterlijk, omdat het Zijn verstand betwijfelt. God weet dat alle lezen interpretatie is en dat er dus geen twee mensen zijn die een tekst op dezelfde manier lezen. Ik hoop dat leraren Nederlands hun leerlingen veel laten experimenteren met de interpretatiemogelijkheden van een tekst en niet alles fout rekenen wat niet overeenkomt met hun eigen interpretatie.

Een veel voorkomende interpretatie wil ons doen geloven dat de heilige teksten zeggen dat dit leven niet ter zake doet, dat het gaat om het leven hierna. In Den Haag omsingelde de politie een woning waarin twee moslimterroristen zich ophielden. ,,Jullie zijn geen echte terroristen'', schijnt een politieman te hebben geroepen. ,,Die hadden zich allang opgeblazen.'' Volgens zeggen riep een van de jongens terug: ,,Jij gaat naar de hel, wij naar het paradijs.''

Ik geloof gelukkig niet in een hiernamaals, want ik zou noch deze politieman, noch deze jongens ooit tegen het lijf willen lopen. Ik geloof niet in God, maar ik ben Hem intens dankbaar voor het leven. Verachting voor andermans of het eigen leven ervaar ik als godslasterlijk. De dood zoeken voel ik als een doodzonde.

Nu ben ik op een punt aangeland waar ik u iets moet opbiechten. Ik moet u bekennen dat ik een openbaring heb gehad. U begrijpt dat ik daar, als ongelovige, niet erg mee in mijn sas ben, maar eerlijkheid vóór alles. Op een dag zette ik mij hier in Spanje achter mijn schrijftafel en sas! Daar was ie. Een openbaring van jewelste. Mijn pen zette zich op het papier en begon uit zijn eigen te schrijven. Ik hoefde hem alleen maar vast te houden. Toen hij ophield, bleek hij de volgende tekst te hebben vervaardigd in een stijl die, dat zal u opvallen, in het geheel de mijne niet is.

G

oede vader,

Nu ik op het punt sta te sterven wil ik nog eenmaal met u overleggen, niet zozeer over mijn dood op zichzelf, maar over de manier waarop. Omdat u nooit mens bent geweest en ik wel, ben ik misschien in de positie u van advies te dienen. Toen ik nog één was met u, vond ik het idee van een voorbeeldig lijden en sterven van uzelf in de gedaante van uw mensgeworden zoon simpelweg groots. Nu ik mens ben, ben ik van mening dat wij met mijn kruisdood wellicht de plank misslaan.

U moet weten dat de mens niet zozeer de dood vreest als wel het sterven. Als er iets is waardoor mensen gaan twijfelen aan uw rechtvaardigheid, uw liefde of zelfs aan uw bestaan, dan is het wel doordat ze met eigen ogen zien hoeveel pijnlijke manieren van sterven er zijn. Ik geloof dat zij aanvaarden dat ze sterfelijk zijn, maar ze begrijpen niet waarom de weg naar de dood voor velen zo gruwelijk is. Het toppunt van gruwelijkheid is de marteldood, want niets is vreselijker dan te sterven aan de wreedheid van een medemens. Wanneer de mens zijn beul in de ogen kijkt en niets anders ziet dan verachting en spot, als zijn lijden en sterven tot een publieke vermakelijkheid is verworden, dan zou het kunnen dat die mens uitroept: God, mijn God, waarom hebt u mij verlaten? Deze uitroep is het voorportaal van de gedachte dat er geen god bestaat, een gedachte die mij niet vrolijk stemt.

Ik weet heel goed wat wij wilden toen wij ons plan bedachten. Wij wilden door ons lijden onze verbondenheid met de mensen tonen, de angst voor hun eigen zondigheid verlichten met onze vergiffenis en hun door mijn opstanding uitzicht geven op een eeuwig leven. Wij kozen voor de ergste dood om onze boodschap diep in te prenten in de menselijke geest.

Ik twijfel niet aan onze goede bedoeling, maar ik weet niet of wij het juiste beeld hebben gekozen. Wij dachten alleen aan de betekenis die wij aan dat beeld gaven, maar wij vergaten dat geen enkel beeld eenduidig is.

De dood aan het kruis is een gruwelijke dood. Ik zweet bloed als ik eraan denk en omdat ik een mens ben, smeek ik u of deze drinkbeker aan mij voorbij mag gaan. Deze smeekbede lijkt me gerechtvaardigd, want niemand hoeft een dergelijke dood onder de ogen te zien zonder zijn hoop op u te vestigen.

Hier begint mijns inziens ons schone beeld barsten te vertonen, want niemand zal begrijpen waarom u mijn gebed niet verhoort. Ik ben niet zomaar iemand, ik ben uw zoon. Ik ben geen doortrapte schurk die uw woede heeft gewekt, nee, ik ben zonder zonden. U zult zeggen dat ik de kruisdood symbolisch moet zien, dat ik een zondebok ben, dat het erom gaat te lijden voor hén. Dat begrijp ik allemaal best, we hebben het samen bedacht, maar ik zeg u dit: die spijkers straks zijn niet symbolisch, die zijn echt, zoals mijn bloed echt zal zijn, zowel als mijn pijnlijke doodstrijd. De God van liefde, barmhartigheid en recht laat zijn zoon aan een stuk hout spijkeren ondanks diens smeekbede om hem dat lot te besparen. Ik vrees dat de mensen vooral dat beeld zullen onthouden. Ik zal u zeggen waarom.

Toen wij de mensen in twee geslachten uiteen lieten vallen, een man en een vrouw, en hun voortplanting ontwierpen, konden wij niet voorzien dat voor de mensen het aandeel van de man in het ontstaan van nageslacht nogal mistig was en evenmin hoe de man daarop zou reageren. Nu weten we dat hij er nogal grimmig van is geworden, jaloers op de vrouw en haar vanzelfsprekende verhouding met haar kinderen. Door die mannelijke jaloezie, u kunt dat nalezen in de wereldliteratuur vanaf de oudheid tot heden, is de vaderfiguur een tamelijk problematische. Hij wordt eerder geassocieerd met strengheid dan met liefde. En dat is nu precies wat we met uw vaderbeeld doen. Uw zoon smeekt u hem de marteldood te besparen, maar u offert hem op aan de grootsheid van een idee. Ik ken u, ik weet dat u een God van liefde bent, maar ik weet niet of u bij de mensen zo overkomt. Het is dus de vraag of wij onze boodschap op de juiste wijze verpakken. Uw profeet Mohammed zal straks, vrees ik, het beeld van meedogenloze mannelijkheid alleen maar versterken. Het gaat er niet om dat wij ons barmhartig noemen, het gaat erom dat wij ons barmhartig tonen.

Dan de kruisdood zelf. U zult niet ontkennen dat deze marteldood een misselijkmakende uitvinding is. Dat goede mensen er zich walgend van afkeren en dat slechte mensen er hun bloeddorstige vermaak aan beleven. Er valt werkelijk niets goeds van te zeggen. Maar wat zeggen wij met het beeld van mijn kruisdood? Wij zeggen dat er uit iets waarvan niets goeds te zeggen valt toch iets goeds kan voortkomen.

Velen zullen denken dat mijn beulen een positieve rol hebben gespeeld bij de verlossing van de mensheid. De beulen worden als het ware mijn medeverlossers, al zal niemand dat hardop zeggen. Onze boodschap zou moeten zijn: martelen is slecht en uit iets slechts kan nooit iets goeds voortkomen.

We zijn nu aangekomen bij de pijnlijkste betekenis van ons zo zorgvuldig uitgedachte kruisbeeld. De mensen zullen horen van het gebed waarin ik u smeek deze drinkbeker aan mij voorbij te laten gaan en zij zullen vernemen dat ik niettemin aan het kruis moest. Ik vraag u: wie zullen zij zien als mijn beul? Wie zullen zij zien als de beul van hun stervende kind? Ik durf de vraag niet te beantwoorden.

Ik smeek u nogmaals: laat deze drinkbeker aan mij voorbijgaan, niet alleen om mij deze vreselijke dood te besparen, maar ook om de mensen niet op verkeerde gedachten te brengen.

Het spreekt vanzelf dat niet mijn, maar uw wil geschiede.

Einde van de openbaring. Toen mijn pen twee, drie regels had geschreven, trok er een siddering door mijn leden. Hier was de Here Jezus zélf aan het woord. Tegelijkertijd drong tot mij door dat mijn pen niet verloochende dat hij in het jaar onzes Heren 2004 bij de gebr. Winter was gekocht. In deze tekst sprak immers een zoon die zichzelf niet zag als het bezit van zijn vader. De historische Jezus kan niet op deze manier hebben geredeneerd. Diens vader kon met hem doen wat hij wilde, behalve hem (laten) doden, want dat had God Abraham op drastische wijze ingepeperd: gij zult uw zoon niet offeren. Maar Jezus had de pech dat zijn vader God was en God mag zijn wetten met voeten treden. Het handelen van God de Vader vond men in Jezus' tijd zeker niet verwerpelijk. De zoon is het bezit van de vader en God staat boven het recht. Hij heeft dus het recht zijn zoon te laten doodmartelen. Nu wij vinden dat geen enkel mens het bezit is van een ander mens en dat niemand het recht heeft een kind te offeren aan wat dan ook, is deze beschrijving van Gods aard godslasterlijk geworden. Wat is godslasterlijk? Godslasterlijk is het aan God toeschrijven van eigenschappen die wij in onszelf verwerpelijk vinden.

Laten we niet vergeten dat God zijn zoon offert tegen diens smeekbeden in! Geeft dat een beeld van liefde, barmhartigheid en rechtvaardigheid?

Nu ik toch met vakantie was, heb ik de koran maar gelezen. Je moet wát. Ik zal het voorzichtig zeggen: ik werd er niet vrolijk van.

De kern van de blijde boodschap van de profeet Mohammed is diens beduchtheid voor het Laatste Oordeel. Nog feller dan in de bijbel wordt ons de beloning voor de gelovigen en de straf voor de ongelovigen voor ogen getoverd. De gelovigen gaan na de wederopstanding naar het paradijs. Een nadeel van het paradijs is dat wij daar vrolijk van onze druiven snoepen, terwijl onze buren in de hel het tot in der eeuwigheid uitgillen van de pijn. God laat de ongelovigen daar martelen, moet u weten. Ik weet niet of die goddelijke activiteit bevorderlijk is voor mijn paradijselijk geluk.

De christelijke hemel en hel zien er niet veel anders uit, maar er is een niet onbetekenend verschil. Dat ik niet in Mohammeds paradijs kom lijkt me logisch, maar de kans dat moeder Theresa van Calcutta erin komt is evenzeer uitgesloten. Mohammed erkent weliswaar de profeten van joden- en christendom, maar joden en christenen mogen geen onderscheid maken tussen hem en de andere profeten. Moeder Theresa kan in het paradijs komen, als zij Mohammed even belangrijk vindt als Jezus. Ik vrees dat zij dat niet heeft gedaan en dus brandt zij in de hel. De kans dat iemand als Saddam Hussein erin komt is aanzienlijk groter. Mohammeds moeder Amina komt er ook niet in. De profeet weende bij haar graf, omdat zij als heidin was gestorven.

De profeet Mohammed beweert overigens niets anders dan Jezus vóór hem deed: ,,Niemand komt tot de vader dan door mij.'' Profeten hebben de onbedwingbare neiging zich als kaartjesknippers bij de hemelpoort op te stellen. De goddelijke methode ter bestrijding van het Kwaad werd in de tijd van de profeet kennelijk rechtvaardig gevonden. Dat is begrijpelijk. Niet alleen in het Midden-Oosten, ook in de christelijke wereld is marteling lange tijd gezien als een gerechte straf voor misdadigers. Martelen wordt nu gezien als een misdaad. Een machthebber als Pinochet, die niet zelf martelt, maar láát martelen in een daarvoor speciaal ingerichte martelkamer is op zijn minst een hufter. Daardoor is het wellicht ooit opvoedkundige denkbeeld dat God de slechteriken in een speciaal voor dat doel ingerichte martelkamer laat martelen, godslasterlijk geworden. Hem wordt gedrag toegeschreven dat wij bij mensen verwerpelijk vinden.

Er zijn tijden geweest dat christenen het een teken van buitengewone vroomheid vonden, wanneer een onberispelijk mens sidderend van angst stierf. Beroemde monniken en heiligen huilden tijdens hun laatste uren, doodsbang, niet voor de dood, maar voor het Laatste Oordeel. Een zekere Arsenius (ik lees hier Arsenio in het Spaans), huilde zijn hele leven en wel zó hevig dat er altijd een natte zakdoek op zijn schoot lag.

De angst was het fundament van de vroomheid. Hoe rijmde men die vreselijke angst met Gods liefde en barmhartigheid?

Ik was bang voor mijn vader. Hij was een geloofsreus. Geloof was volgens hem ,,een zeker weten''. Ik had het angstige vermoeden dat als God hem zou opdragen zijn zoon te offeren, hij dat, net als Abraham, zonder morren zou hebben gedaan. Dat is een penibele situatie voor een kind, vooral omdat de bescherming van de moeder betrekkelijk was. Zij was, evenals de zoon, bezit van de vader. Iedereen die vóór de vrouwen- en jeugdopstand van de jaren zestig in een streng religieus gezin is opgegroeid, weet waar ik het over heb. De vader had het recht, en als het om religieuze zaken ging de plicht, haar het zwijgen op te leggen. Die situatie verschilt dus in niets met die in streng gelovige moslimgezinnen en ik zou mijn hand niet in het vuur willen steken voor sommige streng protestantse gezinnen die tot op de dag van vandaag hel en verdoemenis prediken.

De profeet Mohammed vergelijkt de situatie van de getrouwde vrouw met die van een krijgsgevangene. Dat is kernachtig geformuleerd, ik kan niet anders zeggen.

De kinderen staan dus open en bloot onder het gezag van een vader die, als het erop aankomt, in vrijwel niets door de moeder kan worden gecorrigeerd. Het is griezelig iemands bezit te zijn, overgeleverd aan de willekeur van één persoon. Als zo'n type je slaat, ben je blij, wat zeg ik, dankbaar, dat hij je niet heeft doodgeslagen.

Dit vaderbeeld is het beeld van God geworden. Je moet dankbaar zijn dat hij je niet doodslaat. Hij slaat je niet dood, zelfs niet wanneer je een slecht leven leidt, maar daar heeft Hij iets op gevonden: de Afrekening na de dood.

Nu het idee over liefdevol en rechtvaardig vaderschap zo drastisch is veranderd, doe je God met het beeld van de huistiran geen eer meer aan. Zo kan een beeld dat ooit de uitdrukking was van diepe vroomheid omslaan in ontstellende blasfemie.

Stel u voor: we raken in oorlog met België. We verslaan de Belgen bij Zottegem. Onze om zijn vroomheid alom geprezen kroonprins die onze dappere troepen heeft aangevoerd, komt onder klaroengeschal koningin Beatrix 200 Belgische voorhuiden aanbieden. Zou de koningin daarmee in haar nopjes zijn denkt u?

De bijbel wel.

We gaan verder. Volgens onze vrome kroonprins moest hij van God alle Belgen, mannen, vrouwen en kinderen, uitroeien, en dat heeft hij dan ook braaf gedaan. Zelfs hun vee heeft hij over de kling gejaagd. Maar hij heeft de koning der Belgen gespaard, want het leek hem leuk de man geboeid en wel aan de koningin aan te bieden. Wat gebeurt? Tijdens de overhandiging ontsteekt kardinaal Simonis in hevige woede, trekt zijn zwaard en hakt de arme Belg in mootjes. ,,Alle Belgen moeten dood'', briest de man Gods.

Wat denkt u? Zou de koningin erg tevreden zijn met het vrome optreden van onze kardinaal?

De bijbel wél.

Ik wil hier naar toe: christenen die beweren dat zij de bijbel van kaft tot kaft beschouwen als Gods woord, houden ons voor het lapje. Ook volgens hen zal God nooit oproepen tot wreedheid. Het zou goed zijn wanneer de heer Knevel dat eens ronduit zei in zijn praatprogramma. ,,Er worden in de bijbel voorbeelden van gedrag gegeven die onmogelijk door God kunnen zijn aanbevolen. Het is dus godslasterlijk de bijbel van kaft tot kaft als Gods woord te zien.''

Waarom is het belangrijk dat orthodoxe christenen dit bekennen? Het christendom is ouder dan de islam. Het zou mooi zijn als de oudere de jongere het goede voorbeeld gaf.

Auteur van boeken voor volwassenen en voor kinderen. Hij schreef onder meer de verfilmde Madelief-reeks en recent de serie over Polleke. Voor het laatste deel daarvan kreeg hij vorig jaar de Woutertje Pieterse Prijs. Zijn meest recente boek is `Het boek van alle dingen'(2004).