Heel het leven in een bal

Amerikanen zijn gek van drie sporten: honkbal, football en basketbal. Maar sinds wanneer eigenlijk? En waarom juist deze drie?

Wat is er mis met sport? Er gaapt een kloof tussen sportliefhebbers en andere mensen die maar niet te overbruggen lijkt. Zie het tragische contrast tussen het enthousiasme waarmee de liefhebbers over het onderwerp praten en de acute verveling of zelfs weerzin die dat bij de andere partij oproept. Die kan overgaan in acute aanvallen van cultuurpessimisme. `Wat echt angstaanjagend is', schreef de Amerikaanse schrijfster Fran Lebowitz enkele jaren geleden, `is dat er zoveel intelligente mensen in sport geïnteresseerd zijn. Dat slaat je alle hoop voor de menselijke soort uit handen.'

Lebowitz wordt aangehaald in een ambitieus boek dat een poging doet die kloof te dichten, het The Meaning of Sports. Why Americans Watch Baseball, Football and Basketball and What They See When They Do van Michael Mandelbaum. Daarin doet deze sportliefhebber, niet alleen een intelligent persoon maar zelfs een vooraanstaand specialist in defensie en buitenlands beleid en een oud-adviseur van president Clinton, een poging om een Amerikaanse cultuurgeschiedenis van de sport te schrijven. Hij verbindt de populariteit van teamsporten met de cultuur van de Verenigde Staten. Juist Amerika is daarvoor bij uitstek geschikt, omdat de grote sporten daar nationale sporten zijn, die relatief losstaan van de rest van de wereld. In baseball, football en basketball is Amerika de hele wereld, en zijn alle spelers, ongeacht hun afkomst, Amerikaan.

Of The Meaning of Sports geschikt is om sporthaters te bekeren, is de vraag. Maar voor sportliefhebbers die van de grote greep houden is het een traktatie. Dat komt deels door wat het niet is. De meeste sportboeken drijven op een mengsel van anekdotiek en nostalgie dat in eerste instantie weldadig aandoet, maar op den duur een verstikkende uitwerking heeft. Dat is hier niet zo.

Mandelbaum, zoon van een antropoloog en leerling van een socioloog, pakt de zaken breed, afstandelijk en secuur aan. Hij begint zijn boek met een uitleg van de maatschappelijke functies van sport, waarbij hij duidelijk maakt hoe het rituele karakter van sport raakt aan dat van religie. Daar is natuurlijk al veel vaker op gewezen, maar Mandelbaum denkt verder door. Bijvoorbeeld over de functie die grote sporters hebben voor het publiek. Ze zijn niet alleen sterren, zegt hij, maar ook helden. Dat is een van de manieren waarop ze zich onderscheiden van bijvoorbeeld filmsterren. Ze zijn écht: `De spanning in een film beïnvloedt het publiek, maar doorgaans niet de deelnemers. Sporters, daarentegen, geven voorstellingen zonder script, waarin beide zijden een ander – het tegengestelde – resultaat proberen te bereiken.' Die authenticiteit geeft de sport een extra aantrekkingskracht: `Je ziet ze een deel van hun leven leiden.' En dat, redeneert Mandelbaum door, maakt sporthelden weer extra aantrekkelijk voor reclamedoeleinden. Van de pyjama's die de grootste honkballer aller tijden, Babe Ruth, aanprees tot de basketbalschoenen die Nike een halve eeuw later liet maken voor `His Airness' Michael Jordan.

Zo knoopt Mandelbaum de ideeën aan elkaar (denk ook aan de rol van de vele sportstatistieken bij het wedden op sportwedstrijden). Maar The Meaning of Sports is meer dan een losse verzameling gedachten over sport en maatschappij. Twee vragen staan centraal: waarom zijn het juist honkbal, football en basketbal die zo populair zijn geworden in Amerika? En waarom hebben de bloeiperioden van die sporten zich afgewisseld zoals ze dat hebben gedaan? Mandelbaum verbindt de Amerikaanse voorliefde voor teamsporten, en nu wél enigszins voor de hand liggend, met de klasseloze samenleving die Amerika wil zijn, een optimistisch contrast met het traditioneel meer door individuele sporten beroerde oude Europa. Hij ziet de Amerikaanse sportbeleving in één lijn met De Toquevilles klassieke Democracy in America, waarmee hij haar ook een ideologische lading geeft. Gelijke kansen en upward mobility komen bij uitstek tot uitdrukking in de sport. De toename van de vrije tijd gaf die sportbeleving de kans ook buiten haar normale terrein (de aristocratie) beoefenaars te vinden. Ten slotte: een nieuw land vindt natuurlijk ook zijn eigen sporten uit. Voor basketbal is zelfs een datum bekend: op 1 december 1891 bedacht een docent in Massachussets het spel voor zijn studenten. Hij wilde dozen ophangen bij wijze van doel, maar zijn assistent kon alleen wat oude manden vinden – ziedaar de geboorte van basketball.

Mandelbaum komt met zijn meest originele gedachten bij de behandeling van de afzonderlijke sporten. Op detailniveau gaat het hem vooral om een antwoord op de vraag hoe de drie besproken sporten een `aanvallende draai' hebben gemaakt: honkbal deed dat door het bedenken van de homerun, football door de dieptepass en basketbal door het dribbelen.

De grote historische lijnen in het boek zijn de verbanden die Mandelbaum ziet tussen de bloeiperioden van de drie sporten en achtereenvolgende fasen in de sociale evolutie. Zo is honkbal, een kalme zomerse buitensport met een open einde, het spel bij uitstek voor het agrarische tijdperk. Als extra attractie heeft het een hoofdrol voor het individu dat als werper of slagman tot grote hoogte kan stijgen. Na de Tweede Wereldoorlog moet honkbal zijn eerste plaats in de Amerikaanse sporthiërarchie afstaan aan American Football, the game of violence, volgens Mandelbaum. Het spel, waarin alle spelers een specialisme hebben en dat uitvoeren onder strakke leiding van een coach, is gemodelleerd naar de industriële revolutie. De klok, bij honkbal nog irrelevant, heeft hier een cruciale rol gekregen. Verder is dit football echt oorlog: het spel draait om kracht, geweld en discipline en het veroveren van gebied – zij het niet om een vlag te planten, of een staatsvorm te implementeren, maar om er een bal neer te leggen. Dat football rond 1980 minder geliefd werd, heeft volgens Mandelbaum van doen met de individualisering van de Amerikaanse maatschappij en de lagere waardering van de klassiek-militaire deugden kracht en discipline.

In de elegantste vergelijking uit zijn boek verbindt Mandelbaum de opkomst van de post-geïndustrialiseerde samenleving van Silicon Valley en humanistisch people management, met dé sport van de jaren tachtig en negentig: basketbal. Ga maar na: basketballers leunen uitsluitend op hun lichamelijke vaardigheden, behoeven geen knuppels zoals honkballers of helmen en schoudervullingen van football-spelers, maar alleen een paar schoenen, een broek en een hemdje. Het spel wordt niet gespeeld in stadions, maar in overdekte hallen: kantoortuinen van de postindustriële sport. De spelers vervullen allemaal dezelfde taken op het veld, ze zijn dus generalisten zoals moderne hoogopgeleide werknemers, en ze kunnen net zo goed vrouw zijn als man. Hun coaches zijn managers, die zich voor een belangrijk deel bezighouden met de psychologie van teamwork, en het aansturen van hooggekwalificeerde individuen. En tenslotte, signaleert de auteur met genoegen: met basketbal gaat voor het eerst schoonheid ook een rol spelen in een Amerikaanse sport: Basketball is a game depicted by Degas played by figures designed by Giacometti. Daarmee maakt hij de cirkel mooi rond, want er is één sport waarmee basketbal te vergelijken is, en dat is de populairste sport ter wereld: voetbal. Ook in die sport zijn de spelers goeddeels autodidact en leren zij hun kunstjes op straat.

Zo vindt Amerika toch weer aansluiting bij de rest van de wereld.

Boeken als die van Mandelbaum worden aantrekkelijker naarmate ze breder worden opgezet. Maar hoe ambitieuzer de theorie, hoe meer ook de witte vlekken opvallen. Want waarom schrijft Mandelbaum bijvoorbeeld zo weinig over de vierde grote Amerikaanse teamsport: ijshockey? En waarom is basketbal veel meer dan honkbal en football een traditioneel zwarte sport? Hoe belangrijk is het dat het de sport van de armen is? Gaan de armen nu hun rechtmatige plaats opeisen? En kun je eigenlijk een vergelijkbaar betoog houden voor de band tussen, bijvoorbeeld, boksen en de Amerikaanse ziel?

The meaning of sports roept die vragen op, en dat is geen zwakte van het boek, maar juist de grote kracht. Mandelbaum is erin geslaagd buiten het moeras van de sportnostalgie te blijven en een echte meta-sportgeschiedenis te schrijven. Door de maatschappelijke vragen die hij opwerpt, moet het boek zelfs in staat worden geacht een enkele sportscepticus te boeien. Heel veel misschien ook niet, maar dat is niet erg. Sportliefhebbers genoeg, immers.

Michael Mandelbaum: The meaning of Sports. Why Americans Watch Baseball, Football and Basketball and What They See When They Do. Public Affairs, 334 blz. €33,20