Genoeg meningen, genoeg geef ons feiten

We worden overstroomd met meningen. Ooit was de gedachte dat uit botsende meningen de waarheid tevoorschijn zou komen, nu is wel duidelijk dat het tegenovergestelde gebeurt. Iedereen heeft een mening en dat leidt uitsluitend tot polarisatie.

De Oranjes kunnen een paar dingen heel goed, en één daarvan is begraven. De bijzetting van prins Bernhard, nu twee weken geleden, was daarvan weer een bewijs. Een verslavende gebeurtenis. Waarom? Misschien wel omdat het zo'n onwrikbaar feit was. De affuit, de uniformen, het lege plein in Delft, de muziek in de kerk, de zware sluitsteen en de grafkelder – het droeg allemaal bij aan de inprenting van een solide zekerheid: Bernhard is dood.

Maar die feitelijkheid werd snel om zeep geholpen toen de meningencarrousel weer ging draaien. De talkshows hadden weer een onderwerp en het programma Stand.nl dat de Nederlanders elke werkdag vraagt hun oordeel te geven over een stelling (`Voetbal moet op zondagavond bij de NOS blijven', of: `Zonder Arafat is de kans op vrede in het Midden-Oosten groter') draaide overuren. ,,Er wordt te geheimzinnig gedaan over het koningshuis.'' Ja, zegt 75 procent van de Nederlanders. ,,Soestdijk moet een paleis blijven.'' Ja, zegt 62 procent.

Het voelde vertrouwd aan, maar tegelijkertijd had de geroutineerde wijze waarop de opinievorming verder draaide iets onbehaaglijks. Waren er soms nog niet genoeg meningen? Waar dienen al die opinies eigenlijk voor? Zijn ze niet bezig de feiten uit het centrum van de belangstelling te verdringen? Schieten we er eigenlijk wel iets mee op?

Als advocaat R. Moszkowicz probeert een vervolg op de film Submission te laten verbieden, terwijl hij beter dan wie ook weet dat daar geen juridische gronden voor zijn, wekt dat dan niet een verkeerd beeld van de mogelijkheden van de wet? Als politicoloog Jos de Beus in de Volkskrant zegt dat Wouter Bos en Jan Peter Balkenende zo op elkaar lijken, is dat dan een bijdrage aan de politieke analyse? Als de lezers van deze krant worden uitgenodigd hun irritaties op schrift te stellen, is er dan vervolgens iemand die daar iets aan gaat doen? Of, een laatste voorbeeld, als Joost Zwagerman in Trouw Jan Blokker en Anil Ramdas afschildert als mensen bij wie je in tijden van nood beter niet kunt aanbellen, is het debat over het moslimfundamentalisme dan niet erg smal aan het worden?

Het zijn niet zomaar vragen. Het zijn vragen die belangrijk zijn en aan belang winnen. In Nederland verloopt de afgelopen jaren de meningsvorming zo hevig dat de belangstelling voor werkelijke gebeurtenissen er wel eens de dupe van wordt. Over alles en nog wat moet een mening worden geformuleerd en een gebeurtenis is pas een echte gebeurtenis als er in een talkshow een twistgesprek over wordt gevoerd. De meningenstrijd volgt zijn eigen dynamiek: de meningen roepen tegenmeningen op en voordat je het weet vergeten de debaters alles om zich heen en gaat het debat over de debaters, en niet over de zaak zelf.

Nu kun je aanvoeren dat die meningvloed wordt veroorzaakt en ook gerechtvaardigd wordt door de turbulente tijden die we doormaken. Die roepen nu eenmaal om meningsvorming en standpuntbepaling. En uit de botsing der meningen komt de oplossing vanzelf voort. Du choc des opinions jaillit la vérité. Het is een mooi spreekwoord, en misschien zijn er wel mensen die erin geloven, op grond van een halfbegrepen idee over de onbereikbaarheid van objectiviteit bijvoorbeeld, of met de vage notie in het achterhoofd dat de feitelijke werkelijkheid alleen maar bestaat dankzij de opvattingen die de mensen erover hebben. Fenomenologie van zeer koude grond, en voor het maatschappelijk debat geen bruikbaar uitgangspunt.

Wie de opiniepagina's leest, de talkshows volgt en naar de praatradio luistert, komt als snel tot een andere conclusie: al die standpunten, al die mensen die door elkaar heen praten – het levert vaak geen inzicht, maar eerder verwarring op. Het maatschappelijk debat maakt geen vorderingen, maar fragmenteert, polariseert en tot een conclusie komt het al helemaal niet.

Hoe komt dat? Waardoor zijn er zoveel meningen en is er zo weinig resultaat? Dat komt door drie dingen.

Ten eerste door de individualisering van de meningsvorming. Nu kerken, politieke partijen en andere maatschappelijke organisaties er steeds minder in slagen hun kijk op de wereld ingang te doen vinden, doen de burgers het zonder de samenhangende wereldbeschouwing die bij zo'n overtuiging hoort. Ze willen het graag zelf uitzoeken. Ze vallen niet terug op de beproefde denkschema's van de verzuiling, maar gaan af op hun eigen gevoelens en sympathieën. Omdat die ongeorganiseerder zijn en niet in een helder systeem zijn ondergebracht, is de meningsvorming nu persoonlijker, emotioneler en ligt die dicht bij de eigen belevingswereld.

Natuurlijk zijn er bakens in de meningzee: een leger van freelance opiniemakers, columnisten en talkshowgasten bieden in de media hun kijk op de werkelijkheid aan. Maar ook zij opereren op persoonlijke titel. In hun optreden benadrukken zij dat een mening een strikt individuele aangelegenheid is, een persoonlijke kwestie. Een vorm van zelfexpressie dus, het liefst origineel verwoord. Meningen veroorzaken daardoor tegen-meningen en een opiniemaker die zich van harte aansluit bij een vorige spreker, is een zeer zeldzame verschijning. Wie veel columns leest kent dat verschijnsel. Sommige columnisten schrijven vaker over de mening van een ander dan over een maatschappelijk verschijnsel. Ze zijn vooral met elkaar in debat en vormen zo een constellatie die de socioloog Bram Kempers eens een `polemisch verbond' heeft genoemd: een groep van tegenstrevers die op elkaar zijn aangewezen om hun vak te kunnen uitoefenen.

De individualisering van de meningsvorm wordt nog eens versterkt, doordat die meningen doorgaans over personen gaan. Hoe populair is Bush nog? Is Balkenende Zalm de baas? Hoe ijdel is Boris Dittrich? Gaan er koppen rollen? Dat zijn in veel discussies de meest prangende vragen. Structuren en onderliggende maatschappelijke ontwikkelingen zijn veel minder toegankelijk voor deze meningsvorming, en krijgen daardoor ook veel minder aandacht. In plaats daarvan wordt er naar hartelust gepsychologiseerd, gaan oprispingen de plaats van argumenten innemen en worden politici niet op hun denkbeelden maar op hun presentatie afgerekend.De individualisering van de meningsvorming leidt dus tot een persoonlijk, maar heel smal maatschappelijk debat. Dat de debaters zich niet meer laten leiden door een ideologie is een winstpunt, maar er was pas echte vooruitgang geboekt als zij zich vervolgens hadden georiënteerd op een sociologische in plaats van op een psychologische redeneertrant. Voor een maatschappelijk debat is de eigen beleving en het persoonlijke gevoel een uitgangspunt van beperkte waarde, de verabsolutering ervan desastreus.

Een tweede oorzaak van de meningvloed is de democratisering van de meningsvorming, de emancipatie van het volksgevoel. Je hoeft geen professor meer te zijn om een mening te hebben, en een geïnformeerde mening is nu even veel waard als een mening die op een verzameling indrukken berust. Internet heeft aan de democratisering van de meningvorming een flinke impuls gegeven. Op internet heeft iedereen een potentieel miljoenenpubliek, en dat blijkt een krachtige stimulans voor het ventileren van opvattingen over van alles nog wat.

Je ziet die emancipatie van het volksgevoel overal, en dat komt vooral doordat het een aura van authenticiteit heeft verkregen. Een bijzondere vorm daarvan was waar te nemen bij de herdenking van volkszanger André Hazes: de collectieve herdenking in de Arena had iets demonstratiefs en triomfantelijks. Zie je wel, onze smaak stelt óók iets voor, zeiden die fans tot elkaar en tot de rest van het land. Kunnen 50.000 Nederlanders ongelijk hebben?

De democratisering van de meningsvorming heeft in ieder geval één belangrijke schaduwzijde: omdat zij in het algemeen buiten de gevestigde partijen en organisaties tot stand komt, is de kans dat zij ook maatschappelijke consequenties heeft niet erg groot. De meningen zijn vaak te veel verbonden met een enkele kwestie en zijn te veel het product van een geïndividualiseerd wereldbeeld. De wereld verander je niet met een mening. Daar is meer voor nodig: een plan, medestanders, een beweging. Dat wordt achter de personal computer wel eens vergeten.

Dat neemt niet weg dat de uiting van die particuliere meningen toch van belang kan zijn. Als ze door de gevestigde politieke partijen of door de pers volstrekt over het hoofd worden gezien bijvoorbeeld. Pim Fortuyn heeft hier school gemaakt. Fortuyn zamelde die meningen in, en toen hij met succes als een kristallisatiepunt van maatschappelijk ongenoegen ging fungeren, bracht dat menigeen tot het inzicht dat het gevoel dat hij had wel degelijk ook als een invloedrijke mening kon gelden – via de macht van het getal. In het huidige post-ideologische tijdperk zullen we dat vaker gaan zien: politieke entrepreneurs die als opkopers van loslopende meningen optreden en die omsmeden tot collectief gedachtegoed. Tot voor kort slaagden de gevestigde partijen er redelijk in afwijkende meningen buiten het bestel te houden, maar mensen als Fortuyn en Wilders hebben laten zien hoe `inbraakgevoelig' dat bestel kan zijn – de term is van historicus en Volkskrantredacteur Hans Wansink. Met de peilingen van Maurice de Hond worden de kiezers nauwkeurig op de hoogte gehouden van het marktaandeel dat hun mening inmiddels heeft veroverd. Of dat marktaandeel zich uiteindelijk vertaalt in werkelijke macht, en of die macht dan de hooggespannen verwachting honoreert – het blijft allemaal erg onzeker.

Dan zijn er de media, de derde factor die we moeten noemen. De media vormen het belangrijkste platform van de meningsvorming, maar ze vervullen daarin ook een aanjagende rol. Feiten worden op het televisiescherm over het algemeen saai gevonden. Bij feiten lopen de kijkers weg. De talkshowgast die probeert iets uit te leggen en daar iets meer dan tien seconden voor nodig heeft, moet opboksen tegen het openlijke ongeduld van de presentator en de andere studiogasten. Dan roept Jan Mulder aan de stamtafel van Barend en Van Dorp al gauw door de spreker heen: ,,Maar wat vind je daar nu van?''

Het is waar, naakte feiten zijn vaak nietszeggend. Feiten moet je interpreteren, inbedden in een context die ze betekenis geeft. Dat is niet gemakkelijk, zeker niet als de gebeurtenissen verwarrend zijn of veel emoties oproepen. Bovendien hebben de media, net als de lezers en de kijkers, te maken met het probleem van de ontzuiling. Bij de interpretatie en duiding zijn de vertrouwde denkschema's niet meer beschikbaar, dus waar is het houvast? Wat is het criterium?

In de serieuze journalistiek zijn voor dit probleem twee oplossingen tot ontwikkeling gekomen. De eerste is het georganiseerde wantrouwen in het gezag. Zoals John Lloyd, chef-redacteur van de Financial Times in zijn recente boek What the Media are doing to Our Politics zegt: ,,Both sides assume bad faith.'' In een interview met een gezagsdrager gaat de interviewer uit van misleiding of bedrog door die autoriteit, de geïnterviewde bereidt zich voor op een gevecht waarin de interviewer de beste kansen heeft. Het resultaat, zegt Lloyd, laat zich raden: een techniek die erop gericht is om informatie te verkrijgen, heeft juist het optrekken van nog meer rookgordijnen tot gevolg. Of Lloyd daarin gelijk heeft, valt nog te bezien, maar een ander gevolg lijkt me betrekkelijk onomstreden: een geprikkelde, polemische stemming, een klimaat waarin politieke kwesties snel persoonlijke kwesties worden en waarin opinies en beeldvorming de toon aangeven. Het is hier nog niet zo erg als in de Verenigde Staten, waar in de actualiteitenshows van stations als Fox News de gasten niet worden ondervraagd, maar de les wordt gelezen. Toch zijn ook op de Nederlandse televisieschermen daarvan al voorbeelden te zien: wie wel eens een uitzending van Knevel op zaterdag heeft gezien, weet welke kant het kan uitgaan.

Die verschuiving naar meningen en opinies wordt nog versterkt door de tweede strategie van de serieuze journalistiek. Om te voorkomen dat de krant of het actualiteitenprogramma in het post-ideologische tijdperk kleurloos zou worden, zijn er heel wat plekken gecreëerd waar buitenstaanders op persoonlijke titel hun mening over de wereld geven. Gesproken en geschreven columns, opiniepagina's, ingezonden brieven, discussiefora op de website, interviews en twistgesprekken. Die remedie is door vrijwel alle media omhelsd, met het gevolg dat je geen pagina kunt omslaan, geen radio of televisie kunt aanzetten, of je stuit wel op iemand die zijn mening geeft. Soms is het interessant, vaak ook niet. Het minste wat je ervan kunt zeggen, is dat tegenstellingen worden geaccentueerd en dat zo'n bijdrage vaak in plaats komt van een stuk waarin een onbevooroordeelde journalist de ruimte neemt om op zoek te gaan naar de feiten achter de meningen.

We moeten dus vaststellen dat de intensivering van de meningsvorming niet leidt tot meer inzicht. Integendeel, de persoonlijke toon die in veel commentaren doorklinkt werkt polariserend en het geïndividualiseerde perspectief van de meningsvormers vormt geen bijdrage aan het vinden van oplossingen. Dat is jammer, want ooit was het idee dat uit de botsing der meningen juist iets goeds voortkwam.

Het tweede probleem is dat meningen de plaats van de feiten gaan innemen. Klassieke journalistieke taken als beschrijving, analyse en verklaring gaan het verliezen van vlot geformuleerde meningen en opinies.

Wat is daar aan te doen? Een moratorium op de meningsvorming? Dat is natuurlijk een absurde gedachte. Maar zouden er misschien iets minder door elkaar kakelende studiogasten kunnen komen? Wat minder straatinterviews? Wat minder columns waarin de persoonlijke ervaring wordt uitvergroot tot de maat van alle dingen? Wat meer mensen die mogen uitpraten? En zou er af en toe een journalist mogen uitzoeken hoe het werkelijk zit?

Dan komen die meningen later wel.

Socioloog en redacteur van deze krant. Bijzonder hoogleraar journalistiek en samenleving aan de Erasmus Universiteit.