Elke rat staat voor tien andere

Elke New Yorker heeft zijn favoriete rattenverhaal. De een heeft een rat wel eens de metro zien nemen, de ander kwam thuis en zag op de trap een kat zitten, die geen kat bleek te zijn maar een rat, die fluks zijn broekspijp in glipte. Iemand in een aftands deel van de Lower East Side, hoorde ik eens op een feestje smakelijk vertellen over de strijd die hij midden in de nacht had geleverd tegen twee dikke ratten die scholen achter het fornuis. Een wist hij dood te slaan met een pan, de ander ontsnapte.

Het onrechtvaardige is dat ratten weliswaar dragers van ziektekiemen zijn, en soms de neiging hebben om baby's in hun gezicht te bijten (omdat ze melk ruiken), maar in de grond niets kwaads in de zin hebben. Ze proberen er op hun manier het beste van te maken. Het zijn mensen die ratten tot monsters hebben gemaakt, in de werkelijkheid en in de verbeelding.

Dat is althans wat Rats. A year with New York's Most Unwanted Inhabitants ons wil doen geloven. Journalist Robert Sullivan geeft meer dan een bloemlezing van de beste rattenverhalen, en er staan goede in. Sullivans filosofische vertrekpunt is dat de rat het alter ego is van de mens in de grote stad. De rat houdt zich graag op waar mensen samenleven. Hij vult zijn dag met vreten (bij voorkeur roerei en gekookte aardappelen), wroeten en seks. Mannetjes copuleren met elke rat die ze kunnen vinden, ook dode, soms twintig keer per dag. Weldoorvoede vrouwtjes baren twaalf keer per jaar tien babyratjes. In de categorie `rattentrivia' is het tenslotte nog aardig om te weten dat een rattenkoning, ofwel een kluwen van ratten, uit 32 leden kan bestaan.

Hoewel er veel ratten in New York zijn, zijn het er aanzienlijk minder dan anderhalve eeuw geleden. Toen liet de riolering veel te wensen over, en lagen de straten nog bezaaid met vuilnis en kadavers van paarden. Sullivan rekent op overtuigende wijze voor dat de aloude stelregel one man one rat (voor elke inwoner van de stad een rat, wat in het geval van New York zou neerkomen op acht miljoen ratten) zwaar overdreven is. Waarschijnlijk is de rekensom gevoed door paranoïa en de behoefte aan een zondebok voor sociale ellende. Een kwart miljoen ratten komt dichter in de buurt. Niettemin blijft het huiveringwekkend dat je bij het zien van een rat, ervan kunt uitgaan dat er zo'n tien in de buurt zijn: achter, onder, of boven je (ratten in een boom, het komt voor).

Om de rat in zijn natuurlijke omgeving te bestuderen zocht Sullivan, die ook voor The New Yorker schrijft, een steeg uit in downtown Manhattan, ging op een klapstoeltje zitten en wachtte. Als hij iets meende te zien greep hij zijn nachtkijker, want ratten vertonen zich niet graag in het licht. Maar na een tijdje wist hij wel waar hij met zijn blote oog op moest letten. Dit deed hij een jaar lang, tot ongenoegen van zijn vrouw. Zijn vrienden daarentegen vonden het razend interessant. `Meermalen moest ik mensen teleurstellen als ze weer eens vroegen of ze mee mochten naar mijn steegje', schrijft Sullivan.

Het resultaat van deze lange observatie stelt wat teleur. De rattenonderzoeker ziet geen extreem grote of taaie exemplaren voorbijkomen (door de tabloids ook wel vampire rats genoemd), en hij heeft ook geen bloedstollende confrontaties met krijsende katten, of zelfs maar met een rat die een vrouwtje bespringt en niet van ophouden weet. Hij doet wel een aantal waarnemingen, van het kaliber: ratten lopen vaker langs muren waar ze eerder vuilnis aantroffen. Als de schrijver dan een poging om een rat te vangen omschrijft als `spectaculair onsuccesvol', heb ik helaas de neiging toe te voegen: dat geldt ook voor het boek. Sullivan had zich een hoop moeite kunnen besparen, als hij zich had geconcentreerd op de geschiedenis van de rat in New York, in de trant van Low Life, Luc Sante's bestseller over oud New-Yorks schorriemorrie.

Nu krijgt de lezer tussen de reportage door alleen maar enkele historische brokjes toegeworpen die naar meer smaken. Zo organiseerde in negentiende eeuws New York een Ierse immigrant genaamd Kit Burns rattengevechten in zogenaamde rat pits. Voor vrouwen en kinderen waren er gevechten tussen ratten en wezels, maar het echte werk vond plaats tussen ratten en honden en mocht alleen door mannen worden bijgewoond. Burns' meest succesvolle terriër Jack beet ooit in zes minuten en veertig seconden honderd ratten dood.

Minstens zo interessant als ratten zelf zijn de pogingen van de autoriteiten om de knaagdieren eens en voor altijd uit te roeien. Er zijn plannen geweest om slangen in te zetten, en New-Yorkers gingen ooit massaal op rattenjacht toen de stad een prijs op hun hoofd zette. Allerlei gif is geprobeerd, dat soms erger bleek dan de kwaal: rattengif werd een beproefd moordwapen. In 1920 kreeg de gemeente het idee om het hele eiland Manhattan af te sluiten voor ratten door er een muur omheen te bouwen. Dat ging niet door. Men zag in dat de rat altijd wel een gaatje vindt om naar binnen te piepen.

Robert Sullivan: Rats. A year with New York's Most Unwanted Inhabitants. Granta, 242 blz. €24,60