Een klok heet meestal Maria

Teksten en versierselen op bronzen kerkklokken geven inzicht in de middeleeuwse denk- en leefwereld, ontdekte promovenda Elly van Loon.

OUDE KLOKKEN die al meer dan vijfhonderd jaar in donkere torens hangen, vol duivenpoep, stof en spinraggen, zijn een belangrijke kunst- en cultuurhistorische bron, ontdekte kunsthistorica Elly van Loon-Van de Moosdijk. Ze vertellen niet alleen iets over de makers, over verschillende versieringsstijlen, verering van heiligen en het geloof in beschermende krachten, maar zijn soms ook getooid met teksten die politieke en religieuze ontwikkelingen weergeven.

Van Loon heeft vele kerktorens in Nederland en België beklommen, om foto's, wrijfsels en afdrukken van klokken te maken. Het traplopen deed ze voor haar proefschrift Goet ende wael gheraect, versieringsmotieven op luid- en speelklokken uit Middeleeuwen en Renaissance in het hertogdom Brabant (1300-1559) dat ze eerder dit jaar aan de Radboud Universiteit Nijmegen verdedigde.

Het begon allemaal met kleine tinnen pelgrimsinsignes. De afdeling kunstgeschiedenis van de Middeleeuwen van de Nijmeegse universiteit houdt zich met dit onderwerp bezig en kent inmiddels meer dan tienduizend religieuze en profane speldjes. Aan Van Loon vanaf 1995 de taak om te kijken of, hoe en waar de afbeeldingen van de insignes ook op klokken voorkomen.

De Nederlandse klokken waren eind jaren dertig al eens geïnventariseerd. Het klokkenbrons met een samenstelling van ongeveer tachtig procent koper en twintig procent tin zou immers wel eens van pas kunnen komen bij de kanonnenproductie. Het Rijksbureau Monumentenzorg en het toenmalige ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen zagen de bui al hangen en wilden weten hoeveel klokken er waren en wat hun historische waarde was. Begin 1940 was duidelijk dat er ruim negenduizend klokken waren, samen goed voor een gewicht van 3.450 ton. Vijftien procent van al die klokken kreeg het predikaat monument. Ze werden gemerkt met een grote M.

Tijdens de bezetting besloten de Duitsers dat een groter deel, een kwart van de klokken, bewaard moest blijven. De rest werd uit de torens gehaald, verzameld, opgeslagen en per boot of trein via Hamburg naar de Duitse wapenindustrie afgevoerd. Uiteindelijk is ruim de helft van alle Nederlandse klokken verloren gegaan.

Van Loon telde nog maar 147 middeleeuwse klokken in het voormalig hertogdom, waarvan 81 in Nederland en 66 in België. Van al deze klokken was nog nooit een goede beschrijving van de versieringen en opschriften gemaakt campanologen, beiaardiers en moderne klokkengieters waren tot dan toe de enigen die de klokken bestudeerden en hun aandacht ging vooral uit naar de technische aspecten en muzikale kwaliteiten van de klokken.

Mechelen en Den Bosch waren de belangrijkste centra van klokkengieters. In de bestudeerde periode zijn in Brabant 62 gieters werkzaam geweest, stelde Van Loon vast. De ambachtslieden hoorden bij het smedengilde, dat in de steden in aanzien stond. ``Bij de Onze-Lieve-Vrouweprocessie in Den Bosch liep het smedengilde voorop.''

In Den Bosch hoorde de familie Moer van oudsher tot de belangrijkste gieters. Gobel Moer was in 1452 de eerste gieter van het geslacht die in de bronnen voorkomt. Drie zonen en twee kleinkinderen zetten na hem de familietraditie voort. De oudste in Brabant bewaarde klok van Gobel Moers hand stamt uit 1467 en hangt in de Sint Martinuskerk in Tongelre (gemeente Eindhoven), 1,15 meter hoog en 960 kilo zwaar. De versieringen zijn net als bij de andere door de Bossche gieter gemaakte klokken eenvoudig. Boven de letterrand prijkt een fries met fleurs de lis en een parelrand. Het opschrift bij Gobel Moer altijd in de volkstaal luidt: `martinus is myn naem, myn geluyt sy got bequaem, ic ben goet en wael gheraect, gobbel moer heeft my ghemaect, anno d[omi]ni m ccc lxvii'.

Een klok had dus een naam meestal Maria en werd als een persoon gezien. Daardoor was zij een soort intermediair tussen God en het volk, zegt Van Loon. Pas na een speciale wijding met zegeningen, zalf en wierook was een kerkklok klaar voor haar taken: zij riep de gelovigen op naar de mis te komen, waarschuwde bij brand en onheil, kondigde belangrijke gebeurtenissen aan en weerde noodweer en ziekten af.

De Waghevens', bekende klokkenmakers uit Mechelen, kenden net als de familie Moer drie generaties gieters, met Hendrik (ca. 1426-1483) als aartsvader. Zijn kenmerkende versiering was de gevleugelde draak tussen begin en einde van het (soms Latijnse) opschrift.

Simon, de oudste van vijf zonen uit twee huwelijken, maakte in 1526 de Baerbera voor de Sint Jacobskerk in Antwerpen. Opschrift en versiering verwijzen naar Karel V en het huis van Bourgondië en Habsburg. `Och keiserlic bloet wilt tons waerts keerren * eer dat de wolve[n] hu sc[e]p[en] onteeren 1526' staat in kapitalen op de flank van de klok. Naast de tekst staan het wapen van Karel V, het Bourgondische Andreaskruis en een Vlaamse leeuw die een vaandel met de tekst `vive Bourgoinge' omhoog houdt. ``Het opschrift is niet aan God maar aan Karel V gericht'', zegt Van Loon. De jonge Karel, koning van Spanje, keizer van het Roomse rijk en ook Heer van de Nederlanden, was al vanaf zijn zeventiende vooral in het buitenland. Zijn tante Margaretha verving hem als landvoogdes en had haar hof in Mechelen. In Karels afwezigheid drongen vanuit de Noordelijke Nederlanden geloofsveranderingen door in de Zuidelijke steden. ``De katholieken (de schapen) voelden zich bedreigd door de protestanten (de wolven) en vroegen de afwezige Karel om bescherming. De tekst is te beschouwen als een protest tegen het oprukkend calvinisme en protestantisme.'' De gieter of een van zijn mallenmakers heeft ook nog een foutje gemaakt, ontdekte Van Loon. ``Boven het wapen zweeft een banderol met de lijfspreuk van de vorst. Maar in plaats van PLUS OULTRE staat er PLUS SULTRE.''

De derde generatie Waghevens maakte de uitbundigste versieringen en gebruikte allerlei renaissance-elementen. Het gebruik van ranken, fabeldieren en kandelabers verraadt de invloed van Italiaanse en Franse kunstenaars, die aangetrokken waren door het hof in Mechelen. Van Loon: ``Ik heb nog geprobeerd om de stijl van de versieringen op de klokken met namen van kunstenaars te verbinden, maar dat is niet gelukt.''

Van Loon vond op de klokken ook de pelgriminsignes, die indertijd de aanleiding voor haar onderzoek hadden gevormd. Op de onderzochte Brabantse klokken trof ze in totaal 33 insignes aan, waaronder enkele tot nu toe onbekende types, bijvoorbeeld een Lucia-insigne op de gelijknamige klok in Steensel. De heilige Lucia is te herkennen aan het zwaard dat door haar keel steekt en waarmee ze volgens de overlevering tijdens de vervolgingen door Diocletianus ter dood zou zijn gebracht. Het insigne geeft volgens Van Loon aan dat Steensel mogelijk een pelgrimsplaats is geweest. ``Het zou verklaren waarom in een dorp dat eind vijftiende eeuw maar zestig huizen telde een relatief grote kerk met twee kruiskoren en een zware klokkentoren is gebouwd.''

Een ander insigne, met Maria, Johannes en de gekruisigde Christus, hielp haar een Mariaklok, die nu in het Nationaal Beiaardmuseum in Asten hangt, beter te dateren. Het museum dateert de klok in de dertiende eeuw, maar Van Loon denkt op grond van de houding van de figuren dat de klok een eeuw jonger is.

De grote vraag is waarom de insignes op de klokken werden gegoten. Van Loon is er nog niet uit. ``Mogelijk dienden ze de afwerende kracht te vergroten. Maar ze kunnen ook puur als versiering hebben gediend sommige klokken hebben in de vier verschillende windrichtingen vier verschillende insignes. Ik weet ook nog niet zeker of de gieters het op eigen initiatief deden, of in opdracht van een kerk-, stads- of landsbestuur. Het valt wel op dat op de Brabantse klokken de insignes uit pelgrimsplaatsen in de buurt komen, in Duitsland en Scandinavië lijkt dat veel minder het geval. En op bijzondere klokken zoals de ruim zesduizend kilo wegende Karolus in de Onze Lieve Vrouwekerk in Antwerpen komen insignes helemaal niet voor.''