De mier is de mier een wolf

Het vliegt, het klopt en het zuigt. Wespen zijn gevaarlijk. Mieren ook, zeker voor elkaar. Gelukkig is er nog de gezellige bij.

Ooit werd ik uitgenodigd voor de feestelijke presentatie van een nieuw buitensportblad. De makers hadden een lunch voorbereid, in de open lucht. Maar op het terras waar zij hun glossy toonden, zwermden ook enige wespen. Telkens wanneer de diertjes in de buurt van de spiegeleieren van de `buitensporters' kwamen, doken de heren giechelend weg. Eén ding was duidelijk: deze heren waren geen natuurmensen. Met het blad is het niets geworden.

Iedereen die wandelt of zijn tent opzet in het vrije veld bestudeert de dieren die hem omringen. Een wesp die een vlieg vangt en in stukken knaagt of grote mieren die door een legertje kleinere van hun prooi worden beroofd, het zijn evenzovele natuurfilms waarvan men op de voorste rang gratis kan genieten. Voor de liefhebbers van deze kruipers, kriebelaars en stekers, is er nu het schitterende De wespen en mieren van Nederland, het zesde deel van een gezaghebbende serie over de Nederlandse fauna.

Enig ontzag voor wespen is geboden. Het hoofdstuk over gif eindigt met de waarschuwing: onderschat nimmer het potentiële gevaar van een wespensteek. In Nederland overlijdt elk jaar wel iemand aan de gevolgen van anafylactische shock, veroorzaakt door een wespensteek. Wespen, vliegende miniatuur-tijgers, mogen zich met recht killers noemen: het boek noemt vliegen-, bladluizen-, wantsen-, rupsen-, kever-, vlinder- kakkerlakken- en spinnendoders.

Wespen en mieren van Nederland is niet voor de teerhartigen. Het boek staat vol met huiveringwekkende verhalen, vaak opgetekend uit de eerste hand, over het jagen van de dieren en het vangen van prooien. De volwassen wesp zelf kan leven op een energierijk menu van nectar, maar haalt dat niet altijd uit een bloem. De onder imkers gevreesde bijenwolf, bijvoorbeeld, kneedt en kneust zijn prooi zodanig dat de nectar die de bij heeft ingeslikt naar buiten komt. Omdat vrouwelijke wespen eiwitten nodig hebben voor de productie van eieren slikken zij vaak het wondvocht op dat vrijkomt wanneer ze een prooi hebben gestoken. Als variant bijt de kakkerlakwesp de antennes van zijn prooi af en zuigt het vocht op dat daaruit komt.

Wespen jagen om voedsel voor hun larven te bemachtigen, want de wespenlarve is een carnivoor. Voor die vleesbehoefte moeten alle geleedpotigen het ontgelden, in het bijzonder spinnen. Metselspinnen, tuinspinnen, rouwrandspinnen, platstuitspinnen, vuurspinnen, roodpootspinnen, koekoekspinnen en vele andere hebben hun eigen dodelijke wespen. Maar ook de geroutineerde spinnendoder moet uitkijken, want op hem azen weer andere wespen. Zulk `kleptoparasitisme' is populair onder wespen. Zo wacht de parasitaire spinnendoder tot de ongewilde en onwetende gastvrouw een prooi haar hol binnensleept. De parasietwesp peuzelt dan eerst het eitje op dat de gastvrouw op de spin heeft gedeponeerd en legt dan haar eigen ei op de verlamde spin.

Mieren zijn net als wespen overwegend rovers en jagers. En net als bij wespen is voor het larvenbroed van de mieren veel eiwit nodig. Dat wordt geleverd door andere dieren, voornamelijk insecten en geleedpotigen, maar ook door slakken of uit het nest gevallen jonge vogeltjes. Om een idee te geven: voor een gemiddeld nest van de kale bosmier worden circa zes miljoen prooidieren per jaar vergaard. En net als bij mensen onderling, is de mier de mier een wolf. Mieren vechten voortdurend tegen andere mieren, zowel tegen andere soorten als tegen vertegenwoordigers van de eigen soort. Bij deze veldslagen vallen duizenden doden, die weer voedsel worden voor de overwinnaars. Bij het exposé over het instituut slavernij bij mieren, wordt verwezen naar de relevante literatuur op dit gebied. De indrukwekkende literatuurlijst achterin maakt het mogelijk zich verder te verdiepen in de materie.

Aanvankelijk, aldus de samenstellers van Wespen en mieren in Nederland, was het de bedoeling om alle hymenoptera (vliesvleugeligen), dus ook de bijen, in een naslagwerk bijeen te brengen. Dat zou echter een onhandelbaar dik boek tot gevolg hebben gehad. Voor nieuwsgierigen naar de bij is er nu De Bij door `Bee' (Beatrice) Wilson, uitgegeven door, natuurlijk, De Bezige Bij. Wilson (1974) studeerde geschiedenis en politicologie, ze is culinair journaliste en fellow aan het St John's College in Cambridge voor politieke geschiedenis. In 2002 werd ze door BBC 4 uitgeroepen tot food writer of the year.

Vergeleken bij de gevleugelde en ongevleugelde killers die we al bespraken, steken bijen tam af. Tot felle vechters als de wesp, verhoudt de bij zich als een tijger tot een koe. Natuurlijk heeft de bij ook een angel, maar dan wel één die de mens slechts eenmalig kan steken en dan in de huid blijft haken, waardoor de bij de eigen buik openrijt en sterft. Met deze wetenschap in het achterhoofd roept de ondertitel van dit boek, honingmaker, meesterarchitect en rolmodel, een besmuikte glimlach op. Een getemd insect en dan nog een met een gemankeerde angel, wie wil daar nu een rolmodel in zien?

Wilsons De Bij is geen wetenschappelijk werk. Bee Wilson doorspekt haar boek, behalve met recepten en anekdotes, ook met meningen. Ze schaart zich achter de Belgische auteur Maurice Maeterlinck, die bepleit dat de imker `meester der bijen' moet zien te worden, `maar in het geheim zonder dat ze het weten, die alles dirigeert zonder bevelen te geven, en wordt gehoorzaamd zonder dat men hem kent', aldus de geciteerde nobelprijswinnaar literatuur 1911.

Wilson moet dan ook niets hebben van imkers die zich nadrukkelijk bloot onder de bijen begeven om zich een stoere `bijenbaard' aan te meten. Bijen volgen de koningin en wie de koningin onder de kin houdt, krijgt daar al snel een zwerm werksters omheen. `Een natuurlijke zwerm ontstaat wanneer een aantal bijen in de korf, door een ondoorgrondelijk instinct, hun woonstee aan de nieuwe koningin laten en er met hun oude koningin van door gaan'.

Wie allergisch is voor `ondoorgrondelijke instincten' kan volstaan met lezing van het voorwoord in De Bij. Daarin schrijft Bee: `Voor wie werken ze, deze onvermoeibare kleine schepsels? Voor God, voor ons of voor zichzelf? Dit boek zal proberen in een soort antwoord te voorzien'. God komt verder niet voor in de index, maar menig agnost en atheïst heeft dan al in anafylactische shock dit boek dichtgeslagen.

Bee Wilson: De Bij. Honingmaker, meesterarchitect en rolmodel. De Bezige Bij, 368 blz. €22,50

T.M.J. Peeters e.a.: De wespen en mieren van Nederland. Nederlandse Fauna, deel zes. Naturalis en KNNV, 507 blz. €64,95 (geb.)