De dolfijn zegt toch geen bal

Wat leest Geert Wilders deze kerst? Wat vinden de Tokkies onder de boom? Zestien recensenten van de bijlage Boeken geven een boek cadeau aan Nederlanders die in 2004 in het nieuws waren.

Tien lange jaren na zijn gedwongen afscheid als topvoetballer was Marco van Basten (de beste op Cruijff na) een onzichtbaar idool. Maar deze zomer werd hij plotseling trainer van het Nederlands elftal, waardoor de mythe in hoog tempo mens dreigt te worden, een mens die kan falen, die in de kerstvakantie zijn vakliteratuur moet bijhouden.

Over het trainerschap is maar weinig geschreven, en nog minder over de positie van de praktijktrainer. Degene die zijn aanwijzingen geeft in de wetenschap dat zijn pupil het nooit zo goed zal kunnen als hijzelf. Marco van Basten leest deze kerst de Verzamelde gedichten van Hans Faverey, en dan in het bijzonder de vijf gedichten uit de cyclus `Man & Dolphin / mens en dolfijn'. In het eerste is een trainer aan het woord:

Ball; say: ball.

(Bal; zeg: bal).

Je moet `bal' zeggen.

Dolfijn, zeg eens bal.

B/a/l: bal. Hé,

Dolfijn, zeg nou eens `bal'.

De overige vier gedichten zijn variaties op deze aansporingen met meestal dezelfde woorden. Maar het werkt niet. Ook in nummer vijf (`Ball; bal. Je moet.// Zeg eens; zeggen./ ,,Bal''. (Say). Zeg:/ (ball). B/a/l. Zeg/ nou eens. Hé, dolfijn.// Bal, dolfijn. Bal. ,,bal''. (Bal)'), zegt de dolfijn geen bal. Je kunt de taal veranderen, de volgorde aanpassen en de toon, maar uiteindelijk sta je machteloos met je oefeningen, je hoepels en je pylonen. Zelf kun je de doelpunten niet meer maken. Hoe hard je ook `bal' roept, het is maar de vraag wat er met je orders gebeurt. Dat merkt ook de werper van de boemerang in een ander gedicht: `Eenmaal los gelaten door zijn hand// verheft zich de boemerang,/ doorklieft het luchtruim,/ wil al niet meer terug,/ ruikt de zee, ziet de zee,/ scheert over het water// en duikt onder [...]'.

Faverey heeft niet alleen affiniteit met bal en beweging, maar ook met de teleurstelling van de voetballer en vooral de aanvaller die Van Basten was. De deceptie van het lege net aan het einde van de wedstrijd: `[...] zoals men wel vraagt/ aan een visser die met niets terug komt:/ waar of de vis is. En dat hij antwoordt/ zonder wrevel, zonder naijver:/ de vis – die is in de zee.' Want dat is wat een trainer zijn mannen na een teleurstelling altijd moet voorhouden: zondag is er weer een wedstrijd.

Eenmaal heeft Faverey de essentie van niet zozeer het voetbalspel, als wel de beleving van de spitsspeler vastgelegd, in de regels: `Een bal is in rust, of hij is,/ bewegend, op zoek naar rust.' De echte aanvaller weet precies waar die bal die rust zal vinden – na een lange vlucht, veilig stilliggend in het doel van de tegenstander. Het had boven het bed van Van Basten kunnen hangen, in dezelfde kamer waar een van de weinige regels geschreven tekst van Van Basten is aangetroffen. Hij schreef die regel als kind met een gevoel voor paradoxen dat van Faverey hadden kunnen zijn: `Ik ben de beste op mij na'.

Hans Faverey: Verzamelde gedichten, De Bezige Bij.