Chirac bedelt bijna om aandacht

Franse politici, president Chirac voorop, probeerden gisteren profijt te trekken uit de vrijlating van de twee in Irak gegijzelde Franse journalisten.

`Chirac, gespecialiseerd in de vochtige blik', zo luidt een vileine kop in het linkse dagblad Libération vanochtend. Het artikel eronder beschrijft hoe de Franse president, direct na de bekendmaking van de vrijlating van de twee gegijzelde journalisten, dinsdag als de wiedeweerga is teruggekeerd van zijn vakantie-adres in Marrakech waar hij de dag ervoor pas was aangekomen. Pas question de louper ça: onder geen beding wilde het staatshoofd ontbreken op het grootse moment van nationale emotie dat de terugkeer van beide gijzelaars beloofde te worden.

Chirac heeft in de opwinding zelfs niet vergeten zijn ministers zwijgplicht op te leggen. Zijn gisteren op televisie uitgezonden woorden van blijdschap en dankbaarheid moesten optimaal tot hun recht komen.

Na de ontvangst gisteravond op een militair vliegveld nabij Parijs keerde het staatshoofd direct terug naar het Marokkaanse Marrakech. Libé memoreert dat Chirac tijdens de hittegolf van 2003, toen er vijftienduizend extra doden vielen, weigerde zijn vakantie in Canada te onderbreken. Het was lastig munt slaan uit de nalatigheid van zijn eigen regering.

Nu er een goede afloop te vieren valt, wordt er evenmin maat gehouden, zo is de eerste en algemene indruk. Nieuwszender LCI had rechtstreeks commentaar leverende deskundigen in de studio, die niet aarzelden de ontvangst voor het oog van de camera's van de wereldpers zelfs `gênant' te neomen. De hevig ontroerde familieleden van de twee ex-gijzelaars liepen het staatshoofd en zijn delegatie van liefst vier ministers als het ware voor de voeten. De journalisten hadden nauwelijks oog voor het staatshoofd, maar dat liet niet af om met zijn charmantste blik bijna om hun aandacht bedelen. Uiteindelijk legde hij zijn hand op de rug van één van hen, als een groupie die zijn idool aanraakt.

Minister van Defensie Michèle Alliot-Marie dwong intussen kussen af: de ontvangers, die al een tijd in Jeruzalem en Amman wonen, hebben zich wellicht afgevraagd wie die opdringerige vrouw was.

Stevige kritiek is er ook op premier Jean-Pierre Raffarin die in de Assemblée analyseerde dat de vrijlating niet los gezien kan worden van de Franse politiek in het Midden-Oosten. Naar de smaak van een uitzonderlijk getergde commentator van uitgerekend de regeringsgezinde krant Le Figaro suggereert de premier daarmee dat er goede en slechte ontvoeringen zijn, en slachtoffers met een goede en een verkeerde nationaliteit. De suggestie is niet nieuw, zo min als de woede erover. Juist de hoofdredacteur van Le Figaro, waarvoor één van de journalisten werkt, stelde aan het begin van de ontvoeringszaak nog luchtig, dat de ontvoerders wellicht `een vergissing' hadden gemaakt en niet op de hoogte waren van de nationaliteit van hun slachtoffers.

De moeilijkheid is dat de redenering ethisch niet in orde mag zijn, maar intussen steek houdt. De ontvoerders zelf hebben het verzet van de Franse overheid tegen de oorlog in Irak nadrukkelijk als één van de redenen voor de vrijlating van beide journalisten genoemd.

Gezien de niets-ontziende onthoofding van talrijke andere gegijzelden en het kennelijke ontbreken van enige andere tegenprestatie in ruil voor vrijlating, lijkt de Franse Irak-politiek zelfs de voornaamste reden.