Vrijlating gijzelaars kerstcadeau voor Parijs

Na 124 dagen kwam gisteren een einde aan de gijzeling van twee Franse journalisten in Irak.

`Vrij!' en `Eindelijk!'. Met deze koppen geven Franse kranten vanochtend zonder terughoudendheid lucht aan de natiebrede vreugde over de vrijlating van de twee Franse journalisten, die in augustus in Irak werden ontvoerd door een groepering die zich `Islamitisch Leger' noemt.

Het nieuws werd gisteren, op de 124ste dag van de ontvoering, om vijf uur Parijse tijd aangekondigd door de Arabische zender Al-Jazira en korte tijd later bevestigd door het Franse ministerie van Buitenlandse Zaken. Het was de Fransen gelukt de gegijzelden in Irak vrij te krijgen. Hoe dat ging is nog onduidelijk. Premier Raffarin zei vanmorgen dat er geen losgeld aan te pas is gekomen.

President Jacques Chirac heeft ternauwernood één dag kunnen genieten van zijn kerstvakantie in Marrakech. Maandag aangekomen, maakte hij hals over kop rechtsomkeert naar Parijs. Het is politiek de moeite waard. ,,Het mooiste kerstcadeau'' noemde de moeder van één van de twee hun terugkeer op Franse bodem, die vandaag tegen het einde van de middag werd verwacht. De regering kan het haar nazeggen.

Zomer 2003, toen een hittegolf vijftienduizend extra doden vergde, keerde Chirac niet terug van zijn vakantie in Canada. De vergelijking is uit piëtiet nog niet gemaakt, maar dat is ongetwijfeld een kwestie van tijd. Het linkse ochtendblad Libération zag vanochtend al kans journalistiek wantrouwen te laten prevaleren en te openen met de kop: `Een mysterie van 124 dagen'.

Zo lang ook is er achter de schermen, naar we geloven moeten, koortsachtig en in uiterste discretie gewerkt aan een gelukkige afloop. Met het verstrijken van de tijd en een voortdurende afwisseling van tekenen van hoop en het tegendeel daarvan, groeide de zaak voor de Franse diplomatie gaandeweg uit tot een prestigekwestie van formaat. Inzet waren niet alleen twee levens – van uitgerekend vertegenwoordigers van de pers die kritisch wilden berichten over de Amerikaanse handel en wandel in Irak, zoals menigmaal suggestief is verzucht. Inzet was niet minder de `goede kant' die Frankrijk gekozen heeft door `hypermacht' Amerika te trotseren en zich met hand en tand te verzetten tegen de oorlog in Irak. Maar inzet was ook de traditionele `speciale' relatie met de Arabische wereld en, in het verlengde daarvan, de moeizame verhouding die de seculiere Franse Republiek onderhoudt met haar vijf miljoen moslims.

Vanochtend, nadat zeker was dat een vliegtuig met beide journalisten was vertrokken uit de Iraakse hoofdstad Bagdad, gaf president Chirac nogmaals blijk van zijn vreugde in een speciale televisie-uitzending. Hij onderstreepte ,,de kracht waarmee de natie de eenheid heeft bewaard, in al haar verscheidenheid, omwille van de samenhang, de solidariteit en haar waarden.'' [Vervolg GIJZELING: pagina 5]

GIJZELING

Goede afloop wordt nu verzilverd

[Vervolg van pagina 1] Vanaf het begin, bijna ongeacht de afloop, kwam de ontvoeringszaak voor de Franse regering op een goed moment: in een land waar net een wet was aangenomen die het dragen van hoofddoekjes op openbare scholen verbood. Het Islamitisch Leger eiste immers, na bekendmaking van de ontvoering, op 28 augustus, door de Arabische nieuwszender Al-Jazira, intrekking `binnen 48 uur' van het omstreden wettelijke verbod op het dragen van hoofddoeken op openbare scholen. De dit voorjaar aangenomen wet zou enkele dagen later van kracht worden. Onbedoeld resultaat van de eis was dat het schooljaar zonder noemenswaardige problemen begon. Moslimorganisaties hadden unaniem opgeroepen de wet te respecteren, uit vrees vereenzelvigd te worden met terrorisme. Zelfs de fundamentalistische meerderheidsstroming in de wankele Nationale Moslimraad verklaarde zich solidair met de republikeinse waarden van tolerantie en menslievendheid en betoogden dat wetten prevaleren boven godsdienstige voorschriften. Ze verklaarden zich tussen de regels door nog steeds tegenstander, maar wezen ondubbelzinnig op de democratische middelen om het verzet vorm te geven. Internationaal was het, dank zij een grootscheeps diplomatiek offensief in het Midden-Oosten, niet anders.

Binnenlands is het noodgedwongen islamitische eerbetoon aan de scheiding tussen kerk en staat door velen direct herkend als een `historisch' keerpunt in de houding van de Franse moslims. Ook door henzelf. De rector van de (gematigde) Grote Moskee van Parijs, dankte gisteren weliswaar publiekelijk God – hoogst ongebruikelijk in Frankrijk – en gaf daarmee voor een kwaadwillig oor weer vooral blijk van verknochtheid aan religie in plaats van aan seculier humanisme, de leider van het fundamentalistische UOIF liet zijn dankbaarheid veelbetekenend volgen door de hoop, dat de reactie van de Franse moslims ,,opgetekend zal worden door de geschiedenis''. Niet alleen de regering is aan het verzilveren van de goede afloop begonnen.

Intussen zijn ze wáár – de door de president gememoreerde samenhang en solidariteit. Een handje geholpen door het beroep van de ontvoerden is hun lot onderwerp geweest van onafgebroken aandacht en kristallisatiepunt van een nationale `feel good'-stemming. Aan de gevel van het Parijse stadhuis hangen al maandenlang grote portretten van beide journalisten, kranten publiceerden dagelijks hun foto's op de voorpagina, petities gingen rond, demonstraties van start. Premier Raffarin organiseerde lange tijd een wekelijkse verbroederingsbijeenkomst voor de leiders van alle politieke partijen. Bij gebrek aan informatie en met het oog op de discretie werd de bijeenkomst onlangs teruggebracht tot incidentele bijpraat-telefoontjes.

De oppositie heeft, bevrijd van noodgedwongen solidariteit met de regering, volledige opening van zaken geëist. Maar in zake de cruciale vraag – of er losgeld is betaald – hoeft zelfs van de zeer dissidente stroming binnen de regeringspartij, de UDF, niet zo nodig de onderste steen boven te komen. Met het oog op de raison d'État.