Liverpool, popmuziek en DJ John Peel

John Peel stierf op 25 oktober tijdens een wandeltocht in Peru. De bekende BBC-diskjockey is een van de opmerkelijkste `voetbaldoden' van het jaar 2004.

Als geen ander symboliseerde hij de symbiose tussen popmuziek en voetbal in Liverpool. Hij was de `go between' tussen The Beatles en Bill Shankly, tussen de melodieuze Merseysound en Anfield Road, waar hij jarenlang als `kopite' supporter was van The Reds, op de legendarische staantribune van The Kop. Ook tijdens het Engelse eindejaarsvoetbalprogramma zweeft zijn geest nog over het stadion.

`Hello there, my name is John Peel. I'm 65, fat and English. Sounds terrible, doesn't it? But the music's gonna be okay.' Zo kondigde de man zichzelf aan. Waarnemers schatten Peels invloed op de hedendaagse muziek groter in dan die van The Beatles. In 1953 raakte hij in shock. De confrontatie met Heartbreak Hotel van de jonge Elvis beroerde z'n gemoed als een `bijbelse blikseminslag'.

Na een periode als `Beatles-expert' in de Verenigde Staten begon hij in 1967 met de programma's Top Gear en Peel Sessions op BBC Radio 1. Hij gunde experimentele muziekmakers het eerste grote podium: Velvet Underground, Grateful Dead, Pink Floyd en in de jaren zeventig The Clash, The Fall, The Buzzcocks, New Order en The Smiths. En, vooral, The Undertones. Met het punkanthem uit 1976 Teenage Kicks en de onverslijtbare versregel: `Teenage Dreams, so hard to beat'. Toen hij het nummer voor het eerst hoorde, barstte Peel spontaan in tranen uit. Hij stuurde vervolgens de song twee keer na elkaar de ether in. De BBC draaide de openingsriff om zijn overlijden aan te kondigen. FC Liverpool droeg het nummer in een eerbetoon aan hem op. De uitvaartplechtigheid bereikte een emotioneel hoogtepunt toen de tonen van The Kop's versie van You'll Never Walk Alone overvloeiden in Teenage Kicks.

Peel droeg de liefde voor Liverpool – de stad en de FC – mee het graf in. Hij roemde de `duivelse spirit' van Bill Shankly en gaf een van zijn zoons Dalglish als tweede naam; Kenny Dalglish is oud-stervoetballer van Liverpool. Peel keerde zich ook nadrukkelijk tegen het Thatcherisme, net als de rest van Liverpool in de jaren tachtig, omdat `de Iron Lady de stad in de armoede onderdompelde'.

De stad Liverpool geniet bekendheid om zijn voetbalpassie, muzikale creativiteit en sociale dissidentie met een liberale ondertoon. Elke inwoner beschouwt zichzelf als het belangrijkste individu ter wereld en heeft zijn eigen stem: `demanding a voice'. En: `the art of opposition'. Deze drie stromingen kronkelden in de jaren zestig als levensaders door Anfield Road: rebellerende jongeren en dokwerkers eerden hun coach en emo-socialist Bill Shankly als hun messias. De Merseysoundmusic – The Beatles, Cilla Black en Gerry & The Pacemakers – sijpelde door naar de beroemde Kop. Ze vertaalden de populaire songs naar het voetbal. You'll Never Walk Alone werd het lijflied. Liverpool profileert zich voortdurend tegen Londen en Engeland, en voelt zich verwant met New York en de Amerikaanse vrijheidsgedachte. Vandaar de muzikale smeltkroes: folk, jazz, r&b en rock. Geen enkele plaats ter wereld is sinds 1960 in meer popdeuntjes bezongen dan de hoofdstad van het links-liberalisme. Liverpool was John Peel op het lijf geschreven.

`Liverpool is more than a place where music happens. Liverpool is a reason why music happens', schreef rockjournalist Paul du Noyer in zijn boek Liverpool, wondrous place: Music from Cavern to Cream.

Garry Marsden was een kind van de Docklands. Hij werkte bij de spoorwegen en richtte de band The Pacemakers op. Ze vertegenwoordigden, nog meer dan The Beatles, de prettig gestoorde Merseybeat. Zijn interpretatie van de nogal kitscherige musicalklassieker You'll Never Walk Alone greep de voetbalfans bij de keel en werd synoniem voor de Liverpool Sound. Het lied viert vandaag zijn veertigste verjaardag op Anfield Road. Het koor van de Kop zong het zelfs op Pink Floyds beroemde en zeer experimentele album Meddle. Ook de volgende songs – Ferry Cross the Mersey en I'm the One – van Garry and The Pacemakers werden hits in Kopkringen.

Na de swingende jaren zestig kwam de klad erin. De jaren zeventig kregen een duistere sfeer. Punk en New Wave gaven een koude klankkleur aan de tijd. Hope is a desillusion zong Elvis Costello maar toch gaf hij een warmere en melodieuzere sfeer aan het basale ritme van de punk, zoals de Beatles twee generaties eerder met de rock deden. Costello leefde in Londen maar zijn beide ouders groeiden op in Liverpool. Hij verbleef er tijdens zijn vakanties en benoemde de Fab Four en The Reds tot zijn twee grote jeugdpassies. Zijn familiewortels liggen in Ierland en met Painting the Town Red, een tune voor een populaire televisieserie, deed hij een aanklacht tegen de verloedering van de stad onder Margareth Thatcher en verried hij zijn voetbalvoorkeur.

Ian McCulloch van Echo and the Bunnymen bracht in de jaren tachtig voetbal en popmuziek opnieuw samen. Hij duidde Bill Shankly als zijn voornaamste muzikale inspiratiebron. McCulloch kweekte de zogenaamde `Scallygeneratie'. Ze volgde die van de Beatcity op en zocht overal muzikaal vertier: zowel op de dansvloer als in het stadion. McCulloch bracht de twee werelden bij elkaar in zijn music-hallbewerking van All You Need is Love, die hij beëindigde met een hommage aan Bill Shankly en Bob Paisley.

De zware economische crisis onder de regering van Margaret Thatcher deed tussen 1979 en 1984 de helft van de fabrieken aan de Mersey op de fles gaan. Het regende faillissementen. Het Heizeldrama van 1985 verbande de Reds voor lange tijd uit Europa. Er kwam niets voor in de plaats. Tenzij we de muziek meetellen. Dankzij de vier tijdperken overspannende invloed van John Peel. Zoals de Football Poets hem eerden: `Farewell John, Shake hands in heaven with Bill Shankly and Bob Paisley. Why is it heaven has all the greats, and we get left with Margaret Thatcher? Farewell John Peel. You'll never walk alone.'