Een freudiaanse kijk op de mythische veroveraar

Alexander de Grote is gehuld in mythen. Filmregisseur Oliver Stone voegt er de zijne aan toe: die van het moederskindje.

Hij was koning van Macedonië vóór zijn 20ste, en heerser van het Oosten vóór zijn 30ste. Hij deelde als legeraanvoerder in de ontberingen van zijn manschappen, maar maakte iedereen ondergeschikt aan zijn wil om de wereld te onderwerpen. Hij werd gezien als halfgod, als propagandist van de multiculturele samenleving, maar ook als een onmens, die in blinde dronkenschap of achterdocht zijn beste vrienden kon vermoorden.

Geen wonder dat Alexander de Grote als geen andere oudhistorische figuur tot de verbeelding spreekt. In de Middeleeuwen werd hij vereeuwigd als sprookjesfiguur, ontdekkingsreiziger en eigentijdse riddervorst; in de negentiende eeuw werd hij geëerd als de verbreider van de superieure Griekse geest in het Oosten. Sindsdien werden historici heen en weer geslingerd tussen bewondering en verkettering.

Vóór de Tweede Wereldoorlog werd Alexander al afgeschilderd als een paranoïde psychopaat met een drankprobleem. In de nasleep van nazisme en de dekolonisatie verwerd hij zelfs bij sommigen tot een hitleriaanse tiran – een beeld dat pas werd bijgesteld toen Alexander in 1973 als heldhaftige avonturier werd gerehabiliteerd door de Engelse historicus Robin Lane Fox.

Fox (58) was de belangrijkste historische adviseur van Oliver Stone bij het verfilmen van Alexanders leven; hij mocht in ruil meevechten in de voorste linies van de cavalerie. Anders dan Troy of Gladiator is Alexander dus niet te betrappen op opzichtige anachronismen (al blijft het vreemd dat het motto van de veroveringstocht – `het fortuin is met de dapperen' – afkomstig is uit de drie eeuwen jongere Aeneis van Vergilius).

De reconstructies van de veldslagen zijn indrukwekkend, vooral die bij Gaugamela (331 vC), waar een Macedonische minderheid het machtige Perzische leger versloeg. Als je de charge ziet van een dromedarisbrigade, of van strijdwagens met zeisen aan hun wielen, ben je bereid om te vergeten dat niemand (ook Robin Lane Fox niet) weet hoe de slag zich heeft afgespeeld.

De eerste film-Alexander sinds Richard Burton is niet in de eerste plaats een mythische held. `Did such a man as Alexander exist', vraagt de oude Ptolemaeus, ooit generaal in het leger van Alexander, zich aan het begin van de film af. `Of course not. We idolize him.'

Aan de beroemdste verhalen uit de Alexander-mythe – het doorhakken van de Gordiaanse knoop, de ontmoeting met de filosoof Diogenes, het weigeren van een helm met water uit solidariteit met zijn dorstende manschappen – wordt geen aandacht besteed. De nadruk ligt op wat Alexander formuleert als `our Greek dream to go East' en wat de Amerikanen zouden omschrijven als manifest destiny. De oplettende kijker zou in Stones Alexander wel een soort Bush kunnen zien: iemand die onder valse voorwendsels (`Perzisch goud financierde de moord op mijn vader') een oosters land binnenvalt om er de bevolking westerse democratie op te leggen.

Toch voegt Stone één nieuwe mythe toe aan het Alexanderbeeld: die van de veroveraar als moederskindje. Net als Nixon (1995) is zijn nieuwe film doortrokken van de freudiaanse patronen. De doodgeknuffelde Alexander ziet als jongetje de bijna-verkrachting van zijn moeder en heeft als volwassene moeite om (seksueel) van deze Medea-achtige tovenares los te komen. Met als gevolg, zo doet Stone het voorkomen, dat Alexander zijn heil vooral in homoseksuele verhoudingen zoekt. Een staaltje van koude-grondpsychologie dat eerder in aanmerking zou komen voor wereldwijde kritiek dan de gewraakte stelling dat Alexander biseksueel was.