Wee mij

Mijn goeroe zegt dat mensen op hun best zijn wanneer ze lijden aan ziekten en gebreken, want alleen dan krijgen ze de aandacht waar ze zo naar smachten.

Hoewel ik het een gewaagde uitspraak vond, heb ik er lang over nagedacht, en heb ik conclusies getrokken die volgens mij niet in een sportkatern thuishoren. Het moet wel aardig blijven.

Onlangs stond ik eindelijk weer eens aan de toog. De man naast me die ik van gezicht herkende maar waarop ik geen naam geplakt kreeg zei: ,,Ik ga gebukt onder een winterdepressie.'' Ik antwoordde: ,,De mijne begint standaard tussen kerst en oudejaarsavond, ik moet dus nog even geduld hebben.'' En zo werd het startschot gegeven voor een avond waar de vonken vanaf sloegen.

In de tijd dat sport mijn beroep was, was de winterdepressie mijn beste vriend. Een grot voor de winterslaap, zou je kunnen zeggen, of een lege accu aan het stopcontact; reculer pour mieux sauter. De breedtesporter die ik nu ben heeft het dan een stuk moeilijker. Die gaat het hele jaar maar door en kent geen rust. Dat is pas afzien geblazen.

Op zaterdagochtend volg ik de techniektrainingen van de Noord-Limburgse schaatsvereniging die ijs afhuurt in Grefrath, net over de Duitse grens. Het is een ouderwetse buitenbaan waarin de herfstbladeren in bevroren toestand de winter overleven, en waarvan de glijkwaliteit even wispelturig is als het weer.

Wanneer je België binnenrijdt zie je dat meteen aan de architecturale chaos, wanneer je Duitsland binnenrijdt proef je meteen de somberheid die van de akkers wasemt. Hier en daar is een Stube neergeplant waar 's ochtends vroeg reeds Mercedessen en BMW's geparkeerd staan. Het is dan dat die paar (vertaalde) dichtregels van Friedrich Hölderlin standaard aan mijn gedachten knagen.

Wee mij, waar vind ik, als/Het winter is, de bloemen, en waar/De zonneschijn/En de schaduw der aarde?/De muren staan/Sprakeloos en koud, in de wind/Kletteren de weerhanen.

Gek genoeg is het altijd droog op de ijsbaan van Grefrath. Alsof erboven permanent een klein gaatje in de ozonlaag aanwezig is.

Dan de techniektraining. In essentie is het een oefening in schoonschrijven: twee lange en aan elkaar gespiegelde letters S dienen zo sierlijk mogelijk, want dan ga je het snelst, in het ijs te worden gegrift. Mensen denken wel eens dat schaatsers alleen maar rechte strepen in het ijs krassen, maar zo zit het dus niet. De beweging is erg subtiel, en verschrikkelijk moeilijk. In feite is schaatsen een oosterse vechtsport. Al zijn het maar twee perfecte letters die ik heb weten te produceren, wanneer ik van het ijs stap is de winter in het hoofd een stuk opgeklaard.

Ik denk dus te weten waarom onze schaatshelden en -heldinnen altijd blije, blozende koppen hebben. Op de terugweg kauw ik standaard op het begin van Hölderlins gedicht.

Met gele peren hangt/En vol wilde rozen/Het land in het meer,/O bekoorlijke zwanen,/En dronken van kussen/Doop je je hoofd/In het heilig nuchtere water.

Dit stukje draag ik maar op aan de blije kinderen Moniek Kleinsman en Sven Kramer.