`Vrede is belangrijker dan ons mooie huis'

Orthodoxe leiders van de Israëlische kolonisten roepen op tot burgerlijk verzet tegen de ontruiming van nederzettingen in de Gazastrook. Maar sommige bewoners willen wel weg.

,,Vrede is belangrijker dan ons mooie huis'', zegt Zihava Shitrit (53) als zij door haar tuin met mango-, avocado-, en sinaasappelbomen loopt. ,,Ons paradijs. Natuurlijk willen we hier blijven, vertrekken is verschrikkelijk, maar we gaan als de financiële regeling goed is en we ergens anders iets moois kunnen kopen.'' Met haar man, de gepensioneerde politieofficier Ari Shitrit (56), een veteraan uit de Arabisch-Israëlische oorlogen van 1967 en 1973, heeft zij 14 jaar geleden iedere shekel in een comfortabele, mosterdgele villa met omringende tuin gestoken. In Nisanit, één van de 21 Israëlische nederzettingen in de Gazastrook die volgend jaar worden ontruimd.

Vanaf het dakterras kijkt zij niet alleen uit op de Middellandse Zee, maar ook op Gazastad en het Palestijnse vluchtelingenkamp Jabaliya. Explosies verbreken de avondstilte. ,,Een Qassemraket en een antitankgranaat'', weet Ari laconiek.,,Misschien is het beter om naar binnen te gaan.'' Zihava, secretaresse in het ziekenhuis van Ashkelon: ,,Het is hier de laatste jaren wel gevaarlijker geworden.'' Het buurthuis is vorige week door een Qassemraket zwaar beschadigd.

De Shitrits (,,wij zijn gewone Israëliërs, niet religieus of ideologisch'') kwamen hier eind jaren tachtig, omdat de grond gratis was en de politici in Jeruzalem hen met gunstige fiscale regelingen en prachtige toespraken aanmoedigden naar de Gazastrook te gaan. De verleiding om een benauwd appartement in een grauwe woonstad te verruilen voor een stukje Israëlisch land in de zonnige Gazastrook konden zij en vele anderen niet weerstaan.

Ari herinnert zich nog goed hoe hij in 1993 als inwoner van Nisanit (900 inwoners) en politieofficier een prijzend telefoontje kreeg van toenmalig premier Rabin. Dat uitgerekend Likudpremier Sharon de nederzettingen met in totaal ruim 8.000 inwoners wil gaan ontruimen, heeft hen in hoge mate verrast.

Hij:,,Had ik kunnen weten. Er zijn twee soorten mensen die je niet kunt vertrouwen: Israëlische politici en Palestijnse terroristen. Ik heb maandenlang gedacht dat het niet door zou gaan. Maar toen het parlement het plan goedkeurde, begreep ik dat dit het einde was. Verzet is zinloos.''

Zij: ,,Achteraf was het fout van Israël om na de oorlog hier te blijven. Tot vier jaar geleden ging het ook goed met de Palestijnen. Wij hebben vrienden in Gazastad, die kwamen hier over de vloer. Maar goed, als ons vertrek de manier is om de oorlog te stoppen dan kan ik dat accepteren, maar ze moeten ons niet afschepen.''

Ari zit te grommen op de bank. Het avondjournaal is volledig gewijd aan de oproep tot burgelijke ongehoorzaamheid, desnoods met wetsovertredingen, door Pinhas Wallerstein. Hij is een leider van Yesha, het Hebreeuwse acroniem voor de rechtse, orthodoxe organisatie van kolonisten in het land van `Judea, Samaria en de Gazastrook'. ,,De hypocriet. Mij, een politieofficier oproepen tot het breken van wetten. Hoe haalt hij het in zijn stomme kop? Waarom spant hij zich niet in voor het verbeteren van de financiële compensatieregelingen? Dat zou pas echte belangenbehartiging zijn. Namens wie denkt hij eigenlijk te spreken? Wij hebben hem niet gekozen'', fulmineert Ari en wordt daarin bijgevallen door zijn dorpsgenoot Moses Hemo (43), manager in een bandenfabriek in Ashkelon en een veteraan uit de oorlog van Sharon in Libanon.

Wallerstein, een orthodoxe kolonistenleider op de Westelijke Jordaanoever die enkele jaren geleden een Palestijn heeft doodgeschoten, spreekt niet namens hen. Zij moeten niets hebben van wat zij ,,de religieuze extreme extremisten'' noemen. Met de argumenten van de orthodoxe kolonisten en de Groot-Israël-denkbeelden van gelovige zionisten en christelijke evangelisten hebben zij geen affiniteit. Zij relativeren de verhalen over massaal, gewapend verzet. ,,Uiteindelijk zal misschien een kleine kern van extremisten zich verzetten als de bulldozers en de politie komen, maar 90 procent van de mensen vertrekt vrijwillig. De orthodoxen durven alleen hun mond niet open te doen, omdat zij bang zijn voor hun leiders.''

Net als honderden andere families hebben de inwoners van Nisanit en de twee naburige nederzettingen Dugit en Alai Sinai in het noorden van de Gazastrook en van Rafah Yam in het zuiden advocaten ingeschakeld om met de regering tot aanvaardbare vertrekregelingen te komen. Van de in totaal 1.650 families in de nederzettingen in de Gazastrook hebben bijna 400 via advocaten contact gezocht met de regering en de Knesset.

De compensatiebedragen variëren van 50.000 dollar voor appartementen tot 140.000 voor villa's. Voor Ari en Moses is dat niet voldoende, omdat zij met dat geld niet hun lopende hypotheken kunnen aflossen en in het aanzienlijk duurdere Israël nieuwe huizen kopen of bouwen. En zij weten dat de bewoners van de nederzettingen in Yamit in de Sinai, waar Israël zich in 1982 uit terugtrok 400.000 dollar ontvingen. Alle drie klagen zij over ,,schandelijke behandeling door de laffe bureaucraten op Jeruzalemse ministeries en praatjesverkopende politici''.

Moses, klein van stuk, rondbuikig en bij vlagen driftig: ,,Over zes maanden moeten we hier weg zijn. Er is op een website na nog helemaal niets geregeld. Typisch Israël, altijd chaos, nooit wordt er iets goeds georganiseerd. Als het zo door gaat, moeten we maar naar de ranch van Sharon verkassen. Die is hier vlakbij.''

Moses laat zijn bungalow zien waar hij woont met zijn vrouw Tali en vier dochters. Tali: ,,Voor hen is het veiliger als wij vertrekken.'' Zakken cement en blokken beton liggen onaangeroerd in de tuin. ,,Ik wilde nog een garage bouwen, maar dat heeft geen zin.'' Over een jaar wonen hier misschien wel Palestijnen, hoewel de Palestijnse Autoriteit van plan schijnt te zijn de bungalowparken te slopen om plaats te maken voor flatgebouwen. Tali, een 37-jarige kokkin bij de politie: ,,Ik hoop dat het huis wordt gesloopt, want ik haat het idee dat hier Palestijnen zouden wonen.'' Moses kan dat niets schelen. ,,Het zou beter zijn als wij het aan een van mijn Palestijnse werknemers konden verkopen. Voor een goeie prijs, maar dat mag niet van de wet.''