Petje af voor veiligheid hedendaagse scheepvaart

De berichtgeving in NRC Handelsblad (13 december) over de ramp met de `Selendang Ayu' bij Alaska munt niet uit door accuratesse en biedt geen fair perspectief. Er is sprake van een ,,vrachtschip geladen met sojabonen'', maar ook van een `olietanker'. Het is natuurlijk een vrachtschip, omdat olietankers als hoofdlading geen sojabonen vervoeren! Verder wordt uiteraard gerefereerd aan de ramp met de `Exxon Valdez' in maart 1989. Nu eens is sprake van een lekkage van 32 miljoen liter olie en dan weer van 42 miljoen liter. Het laatstgenoemde cijfer klopt beter volgens de `tanker oil spill'-statistieken. Een beetje slordig, naar mij voorkomt.

Voorts miste ik een fair perspectief. Iedere scheepsramp in (semi-)arctische gebieden is dramatisch, omdat het ecosysteem van dergelijke gebieden veel gevoeliger is voor verstoringen door menselijk toedoen dan dat van gebieden elders. Maar de omvang van de ramp moet ook niet worden overdreven. Het gaat hier om maximaal 2,3 miljoen liter (bunker)olie, d.w.z. bijna 2.000 ton, terwijl de tanker `Torrey Canyon' in 1967 bijna 120.000 ton en de tanker `Amoco Cadiz' in 1978 zo'n 225.000 ton olie lekten. En dat waren nog niet eens de grootste tankerrampen. Maar zelfs écht grote scheepsrampen zou men ook eens in perspectief moeten bezien. Immers, dagelijks [!] wordt alléén al door tankers 5 miljoen ton ruwe olie vervoerd.

Petje af dus voor de betrouwbaarheid en de veiligheid van de hedendaagse scheepvaart.