Onderwijs kan niet terug naar vroeger

Het onderwijs in Nederland is niet alleen kommer en kwel, zoals Ton van Haperen eerder in deze krant betoogde.

Er worden wel degelijk stappen de in goede richting gezet, wat optimistisch kan stemmen, meent Marianne Beelaerts

Onder de kop `Roep onmiddellijk de noodtoestand uit' richtte Ton van Haperen zich in een open brief tot minister Van der Hoeven van Onderwijs (Opinie & Debat, 4 december). Tegen een zwarte achtergrond roept hij een pagina lang het beeld op van een ernstige crisis in het onderwijs.

En inderdaad, het hele stuk staat vol narigheid: de minister verrijkt zich, knoeit met cijfers en ze heeft geen aandacht voor waar het werkelijk om gaat: de kwaliteit van het onderwijs. En die is dramatisch, aldus Van Haperen. Schoolleiders verrijken zich door klassen te vergroten en het ergste is, het onderwijs kotst kinderen uit, gewone kinderen. De minister houdt zich afzijdig en heeft de moed niet leerlingen voor te schrijven wat ze moeten kennen en kunnen in de maatschappij van vandaag. Leerlingen verlaten in groten getale de scholen. En dat is allemaal de schuld van de minister.

Ton van Haperen is boos en hij schreeuwt dat van de pagina. Daarin slaat hij door. Dat is nog niet het ergste, maar hij brengt in zijn woede niet voldoende geduld op om de kern van het onderwijsprobleem te analyseren. Daardoor zijn de oplossingen die hij aandraagt gemakzuchtig en onbruikbaar.

Hij wil een sterke, intellectuele minister, die heldere keuzes maakt en ingrijpt. Maar nadat zij en haar voorgangsters in dit artikel net zijn afgeserveerd, zullen nog maar weinigen daar de oplossing zoeken. Niet alle heil komt van boven.

Tegelijkertijd verlangt Van Haperen terug naar vroeger, met een aparte mavo en herstel van de oude ambachtsschool. Ook daarin zit iets tegenstrijdigs en naïefs. In hetzelfde artikel signaleert hij namelijk dat de arbeidsmarkt flexibele, breed inzetbare werknemers vraagt.

Laat dat nou precies de reden zijn dat we niet terug kunnen naar vroeger. De ambachtsschool is daarom in 1968 verbreed tot voorbereidend beroepsonderwijs en werkgevers pleitten met het oog op de ontwikkelingen in het bedrijfsleven in de jaren tachtig voor het invoeren van het vmbo.

Zo simpel liggen de zaken niet. Ook de maatschappij en de leerlingen zijn veranderd. De veranderingen in de bevolkingsopbouw, het gezinsleven en de plaats van de school in het leven van jongeren hebben effect in de klas. We moeten niet terug, we moeten vooruit.

Het helpt om te zoeken naar mensen in scholen die het contact met leerlingen daadwerkelijk proberen te verbeteren. We komen verder met scholen die stappen in de goede richting zetten, al zijn die nog zo klein.

Daarvan ken ik er alleen al in het vmbo zo'n driehonderd. Misschien ben ik daarom een stuk minder pessimistisch dan Van Haperen.

Of het nu gaat om de school in Hilversum waar leerlingen ook met bewoners en met mensen in een zorginstelling samenleven, of om de school in Leerdam waar docenten en leerlingen vanuit een leeg lokaal zelf hun omgeving samen zo inrichten dat het meest over techniek wordt geleerd.

Of ik nu kom in Rotterdam waar leerlingen van verschillende niveaus elkaar helpen bij hun leren, in Almere waar leerlingen de sport voor ambtenaren organiseren, of in het praktijkonderwijs waar ze proberen leerlingen ook een opleiding aan te bieden op niveau 1 van het mbo, in Den Haag waar men probeert het onderwijs vraaggestuurd in te richten of in Groningen waar leerlingen in de theoretische leerweg elke woensdag stage lopen in het mbo om beter een vervolgopleiding te kunnen kiezen, op heel veel plaatsen worden op het moment nieuwe, zinvolle onderwijsvormen ontwikkeld waar leerlingen en mensen uit de regio enthousiast op reageren.

We zullen al onze creativiteit en onderzoeksvaardigheden nodig hebben om zinvol onderwijs te ontwikkelen voor de leerlingen, nu en in de toekomst.

Daarbij hebben leerlingen, docenten en schoolleiders serieuze aandacht en krachtige steun en inzet hard nodig van iedereen die bij het onderwijs betrokken is.

Het is een gemeenschappelijk belang dat het onderwijs zo goed mogelijk functioneert. Laat ieder op zijn eigen plek daarvoor doen wat hij kan.

Van de minister verwachten we voldoende tijd en geld. Met de overheid zijn we in gesprek over nieuwe kerndoelen voor de onderbouw, vakken en examenprogramma's, de maatschappelijke integratie en de aansluiting op het vervolgonderwijs. Jaarlijks komt de inspectie langs. Ook dat is aanleiding voor stevige gesprekken en maatregelen.

Maar laat binnen die kaders de inrichting van het onderwijs aan de mensen in de scholen over. Er zijn genoeg aanknopingspunten voor eigentijdser onderwijs. Laten we die uitbouwen.

Marianne Beelaerts is belangenbehartiger voortgezet onderwijs bij de Besturenraad, de organisatie van het christelijk onderwijs