Langer werken is beter

Aan Willem Drees heeft Nederland zijn Algemene Ouderdomswet te danken, een basispensioen van de staat voor 65-plussers. Hij voerde in 1947 als minister van Sociale Zaken voor de Partij van de Arbeid de voorloper van de AOW in, de zogenoemde `noodwet ouderdomsvoorziening'. Met de AOW heeft vadertje Drees zich onsterfelijk gemaakt – en razend populair. Niet alleen bij zijn tijdgenoten maar ook bij de generaties na hem. Tot op de dag van vandaag is iedereen die legaal in Nederland woont automatisch verzekerd voor de AOW. Iemand die van zijn vijftiende tot zijn 65ste verzekerd is geweest, heeft recht op een volledig AOW-pensioen. De nettohoogte daarvan is maandelijks 608 euro (gehuwden) en 862 euro (ongehuwden). De regeling van Drees is prachtig maar duur. En in de toekomst wellicht onbetaalbaar door de toenemende vergrijzing. Vandaar het advies van de Sociaal-Economische Raad aan de Tweede Kamer om AOW'ers zélf premie voor hun ouderdomsvoorziening te laten betalen.

Het gaat hier om een vertrouwelijk advies dat dezer dagen uitlekte. Het kan een proefballon zijn om te kijken hoe dit plan valt. Omstreden is het zeker, al was het maar omdat velen iedere inbreuk op Drees' arrangement zien als een vorm van heiligschennis. Maar ook de AOW is niet heilig meer in een tijd dat de verzorgingsstaat moet inleveren. Op papier oogt het redelijk om de kosten van de AOW evenwichtiger dan nu het geval is over de generaties te verdelen. Ook de AOW'er zou dus aan deze solidariteit zijn bijdrage moeten leveren. Het is een trendbreuk met de uitgangspunten van de oude Drees, maar hij is goed te volgen – temeer daar aanvullende pensioenvoorzieningen zoveel beter zijn dan een halve eeuw geleden.

Toch klopt de redenering niet; ze is althans onvolledig. Voordat ouderen na hun 65ste moeten gaan meebetalen aan de AOW, zouden ze vóór hun 65ste langer dan nu aan het werk moeten worden gehouden. Zolang er nog beroepsgroepen zijn die per CAO voor zichzelf hebben bedongen dat ze tot in lengte van jaren op hun 55ste met pensioen kunnen, is er nog veel te halen. Als die mensen minstens vijf en liefst tien jaar langer doorgaan, komen vanzelf meer premies binnen, blijft de AOW betaalbaar en hoeft de staat zijn toevlucht niet te nemen tot een impopulaire maatregel. Zonder politieke risico's is die bovendien niet. Hoe men het ook wendt of keert, het voorliggende plan is electoraal moeilijk te verkopen. Welke politicus wil het op zijn conto hebben dat hij sloopt wat Drees heeft opgebouwd? Het is niet voor niets dat de Kamer terughoudend reageert.

Andere voorstellen van de Sociaal-Economische Raad over de ouderdomsuitkering zijn zinniger. Het adviescollege pleit met recht voor het stimuleren van doorwerken na het pensioen. Op dit gebied is pionierswerk te verrichten. Deeltijdwerk na het 65ste jaar en deeltijdpensioen zijn in Nederland onontgonnen terreinen. Ook getuigt het van realisme om de opbouw van de AOW-rechten terug te brengen van vijftig naar veertig jaar.

Het ouderenbeleid is volop in beweging, in de politiek en daarbuiten. Meer ouderen moeten, kunnen en willen langer doorwerken. Dat geldt niet voor iedere 55-plusser, maar op dit arbeidsreservoir wordt ten onrechte een te gering beroep gedaan. Demografische veranderingen nopen tot aanpassingen, maar de kern van de AOW-regeling moet daar voorlopig van gevrijwaard blijven.