Informatie uit suspecte bronnen

De veiligheidsdienst AIVD werkte samen met een van genocide verdachte chemicaliënhandelaar. Waar liggen de grenzen?

Intelligence is a dirty affair, done by gentlemen. Inlichtingenwerk is smerig werk, uitgevoerd door heren. Zo luidt een oud adagium in de wereld van de inlichtingendiensten. Of het altijd klopt is de vraag. Maar, zegt inlichtingenspecialist en historicus Bob de Graaff van de Universiteit Utrecht: ,,Kennis haal je in deze branche nu eenmaal niet bij lieftallige kleuterleidsters.''

De Graaff toont zich weinig verbaasd over de handelwijze van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) in de affaire rond de 62-jarige chemicaliënhandelaar Frans van A. De man wordt ervan verdacht in de jaren '80 enorme hoeveelheden grondstoffen voor chemische wapens te hebben geleverd aan het regime van Saddam Hussein. De afgelopen jaren blijkt Van A. door de AIVD te zijn gebruikt als informant, bevestigen betrouwbare bronnen.

In de Kamer werden onlangs vragen gesteld bij de rol die de inlichtingendienst speelde in de zaak-Van A. Kamerlid Van Velzen (SP) was ,,verbijsterd'' dat Van A., inmiddels door justitie verdacht van betrokkenheid bij genocide, door de Nederlandse regering in bescherming is genomen en als informant werd gebruikt.

,,Ik zou het eerder schokkend vinden als de AIVD níét met hem zou hebben gesproken'', zegt De Graaff. ,,Ik denk dat de dienst hiervoor internationaal schouderklopjes heeft gekregen.''

Ook is niet uitgesloten dat andere geheime diensten, zoals de CIA, hebben geprofiteerd van de kennis die Van A. de AIVD verschafte. Dat kan verklaren waarom de Amerikanen in 2000 hun verzoek om aanhouding opeens introkken, terwijl Van A. op de internationale `most wanted list', de lijst van meest gezochte misdadigers stond. In 1997 hadden de VS Nederland verzocht hem aan te houden.

Van A. was om allerlei redenen een interessante bron voor de inlichtingendienst. Hij beschikte over kennis van het Iraakse programma voor chemische wapens en mogelijk over het bewind van Saddam Hussein, waarmee hij als handelaar jarenlang zaken deed.

,,Hij kon vermoedelijk vertellen waar Irak behoefte aan had'', zegt De Graaff. Bovendien versterkte de AIVD dankzij de informatie die Van A. leverde zijn ruilpositie, nog altijd van zeer groot belang in de wereld van de inlichtingendiensten, zeker voor een kleine organisatie als de AIVD.

Van A. woonde tussen 1989 en 2003 in Bagdad, op de vlucht voor de Amerikaanse autoriteiten die hem zochten voor zijn aandeel in het Iraakse programma voor chemische wapens. [Vervolg AIVD: pagina 3]

AIVD

'In de inlichtingenwereld zijn er geen engelen'

[Vervolg van pagina 1] Met de grondstoffen die hij leverde voerde Saddam Hussein volgens de Amerikaanse en de Nederlandse justitie zijn chemische oorlogen met Iran en met de Koerden in het noorden van Irak, zo luidt de verdenking. Volgens de Verenigde Naties was Van A. een van de grootste tussenpersonen voor de levering van chemicaliën aan Irak. Hij vluchtte vorig jaar van Irak naar Nederland, en werd deze maand aangehouden op verdenking van medeplichtigheid aan genocide.

Afgelopen jaar werd hij enige tijd `in bescherming' genomen door de AIVD, in een safehouse. De Graaff kijkt daar niet van op. In het verleden zijn eerder mensen vermoord die zich hadden ingelaten met een Iraaks wapenprogramma, zegt hij, doelend op de Canadese wapenexpert Gerald Bull, die voor Saddam een superkanon had getekend. In 1990 werd Bull in zijn flat in het Brusselse voorstadje Ukkel vermoord.

Waar liggen de grenzen van wat inlichtingen- en veiligheidsdiensten wel en niet mogen doen? Dat verschilt per land. Volgens de Nederlandse Wet op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (WIV) van 2002 wordt bij de zogenoemde menselijke bronnen een onderscheid gemaakt tussen informanten en agenten. Een agent is iemand die door de dienst wordt `opgeleid' en op een bepaalde organisatie wordt afgestuurd om vervolgens informatie door te spelen naar de inlichtingen- of veiligheidsdienst. Een informant is iemand tegen wie de dienst `aanloopt', iemand die een bepaalde kennis bezit waarin de dienst interesse heeft. Meestal worden die actief opgezocht vanwege de positie die zij bekleden, of hebben bekleed, in een bedrijfstak, organisatie of overheid.

Volgens artikel 21 van de WIV mag een agent ,,worden belast met het verrichten van handelingen die tot gevolg kunnen hebben dat medewerking wordt verleend aan het plegen van een strafbaar feit, dan wel een strafbaar feit wordt gepleegd''. Daartoe moet wel een schriftelijke instructie worden opgesteld. Verder mag de inlichtingendienst zich volgens artikel 17 wenden tot ,,een ieder die geacht wordt de benodigde gegevens te kunnen verstrekken''. Met andere woorden: vragen staat vrij.

Zodra de inlichtingendienst gebruikmaakt van informanten die een strafblad hebben of verdacht worden van strafbare feiten, moet deze informatie gedeeld worden met justitie, zegt Clemens Cornielje (VVD), lid van de Kamercommissie voor Binnenlandse Zaken. Hij kan zich dan ook ,,nauwelijks voorstellen'' dat in de kwestie Frans van A. justitie en de AIVD niet van elkaars activiteiten op de hoogte waren. Sterker, het kan zelfs een heel bewuste actie zijn geweest waarbij justitie en de inlichtingendienst afspraken met elkaar hebben gemaakt. Ook vindt Cornielje dat bronnen van de AIVD afdoende beschermd moeten kunnen worden indien ze gevaar lopen. Anders is een dienst niet in staat zijn werk goed te doen.

Wel vindt Cornielje dat de fractievoorzitters van de partijen in de Kamer die ingelicht worden over operationele acties van de inlichtingendienst, actiever moeten zijn. Zij kunnen informatie krijgen die bij een openbaar debat met de minister niet gegeven wordt. Door actiever op te treden kan het parlement via deze Commissie voor Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (IVD) een bredere controle uitoefenen op het werk van de inlichtingendienst, zegt Cornielje.

Maar de fractievoorzitter van de SP wil zelf niet in deze commissie zitting nemen en kiest ervoor via Kamervragen aan informatie te komen. Maar deze informatie is altijd beperkter.

Er zijn inlichtingendiensten die zich principieel opstellen. Bob de Graaff noemt het voorbeeld van de Canadese inlichtingendienst CSIS, die alleen zaken doet met diensten in landen waar geen mensenrechten worden geschonden. ,,Dat wordt in de inlichtingenwereldje als een lachertje gezien. Zo kun je nooit zaken doen met landen als Pakistan of Jordanië.'' Uiteindelijk rechtvaardigt het doel vaak de middelen. ,,In de meeste landen geldt dat het mogelijk moet zijn zaken te doen met criminelen als je daardoor kennis kunt opdoen waarmee je een grote aanslag kunt voorkomen'', zegt De Graaff. ,,Je begeeft je in de inlichtingenwereld niet onder engelen.''

In de Verenigde Staten en in Groot-Brittannië wordt ook moord door een geheime dienst niet uitgesloten als de veiligheid van de staat daarmee wordt gediend. In 2002 bijvoorbeeld werden enkele vermeende leden van Al-Qaeda door een onbemand vliegtuigje van de CIA gebombardeerd in Jemen. De Graaff: ,,Sinds een aantal grote aanslagen op Amerikaanse doelen in de jaren negentig is het in de Verenigde Staten geen discussie meer of de Amerikaanse diensten dat mogen of niet. Ironisch genoeg is nu het enige discussiepunt nog of ze dat ook op Amerikaans grondgebied mogen doen.'' Ook de Britse dienst MI6 beschikt over een license to kill; het finale besluit daarover wordt genomen door de premier.

In Nederland is altijd gesteld dat moorden niet worden gepleegd door inlichtingendiensten. De vraag is echter wat een Nederlandse inlichtingendienst zou doen als zij op de hoogte zou zijn van de verblijfplaats van Osama bin Laden; het is niet ondenkbaar dat met het doorgeven van dergelijke informatie aan een Amerikaanse geheime dienst het lot van betrokkene zou zijn bezegeld.