Gouwes oeuvre heeft mooie uitschieters

Aan het Vrijthof in Maastricht, waar dezer dagen de kerstsfeer is te ruiken, te zien en te proeven, staat een museum dat zelfs ervaren bezoekers van de stad vaak niet kennen: het Museum Spaans Gouvernement. Het is gehuisvest in een rood geschilderd, zestiende-eeuws woonhuis met een binnenplaats. Ooit hielden hier de Brabantse hertogen hof. Nu is er de gevarieerde kunstcollectie van de Stichting Wagner-de Wit te bezichtigen: meubels, porselein, zilver, oude schilderijen en nog meer. In de stijlkamers – meest achttiende-eeuws gemeubileerd – zijn zo nu en dan ook tentoonstellingen te zien. Deze winter is een expositie gewijd aan het werk van de schilder Herman Gouwe (1875-1965).

Gouwe, geboren in Alkmaar en in 1901 winnaar van de Prix-de-Rome, is een kunstenaar van het type `in zijn eigen tijd zeer succesvol'. In die woorden klinkt altijd iets twijfelachtigs door: wie zo goed verkocht en daarna zo snel werd vergeten, denk je al gauw, daar moet wel iets mis mee zijn. Toch zitten in zijn werk een paar mooie uitschieters: kleurige, sprekende schilderijen. Maar je moet er niet te veel van zien, en dat gevaar is bij een overzichtstentoonstelling wel aanwezig.

Zo hangen in de eerste museumzaal 17 schilderijen, waarvan 13 met dezelfde voorstelling: een ploegende boer met een tweespan paarden, in diverse gradaties van expressiviteit, met opgaande zonnen op de achtergrond, soms tegen het abstracte aan, maar soms ook met een onplezierige bloed- en bodem-ondertoon.

Het is dan ook bijna een opluchting verderop in de tentoonstelling te lezen dat de schilder zelf schoon genoeg kreeg van al die ploegende paarden, die kennelijk goed verkochten en waarvan hij dus een tijdlang de één na de ander `afdraaide'. Het motief had hij in Zuid-Limburg gevonden, waar hij tussen 1908 en 1927 de zomerse helft van het jaar doorbracht. Spoedig daarna emigreerde hij naar Tahiti in de Stille Zuidzee, op zoek naar nieuwe wegen en onbedorven natuur. Na zijn vertrek heeft Gouwe nog maar één bezoek aan Nederland gebracht, in 1959, toen hij een expositie in het Stedelijk Museum in Amsterdam had. Hij is op Tahiti overleden. En hoewel de verhuizing daarheen volgens hemzelf het verstandigste was dat hij ooit had gedaan, bleef hij tot zijn dood een tobberige, zoekende figuur.

Twee beroemde collega's hadden veel invloed op Herman Gouwe: Vincent van Gogh en Piet Mondriaan, de laatste vooral in zijn spannende, half-abstracte tussenperiode. Alleen in Gouwes beste schilderijen spreekt duidelijk een sterke, eigen hand. Dat geldt voor de Limburgse landschappen op liggend formaat, bijvoorbeeld één uit 1918 dat gepointilleerd is, en waaraan een gesluierde zon een magische sfeer verleent. Maar ook voor een opvallend mooie, grillige vijgenboom die Gouwe waarschijnlijk in 1920 in Zuid-Frankrijk schilderde.

In de Stille Zuidzee kwam hij soms tot heel nieuwe, wilde kleuruitbarstingen, zoals het schilderij Raiatea uit 1940. Gouwes obsessie met licht mondt daar uit in een welhaast eetbaar, verleidelijk resultaat. Ook twee kleine zeeschilderijen uit 1941 zijn prachtig gelukt.

Als je dat alles ziet, vergeef je hem dat hij, ook aan de andere kant van de wereld, weer clichématig, verkoopbaar werk – bijvoorbeeld koppen van eilandbewoners – is blijven produceren. Maar het totale oeuvre is zo wel erg ongelijk van kwaliteit gebleven. Wie een schilderij van Herman Gouwe aangeboden krijgt, doet er verstandig aan te reageren met: eerst zien.

Tentoonstelling: Herman Gouwe. `Leven langs lange lijnen'. Museum Spaans Gouvernement, Maastricht. T/m 13 maart. Wo-zo 13-17u. Inl. 043 3211327.