De strijd is ontbrand, wie wint de eurobeurs?

De slag om één Europese effectenbeurs te bouwen is ontbrand. Dat is interessant voor de banken, maar wat verdienen particuliere beleggers?

Het paringsritueel voor de vorming van één Europees beursbedrijf is weer begonnen. Euronext wil de London Stock Echange (LSE) overnemen, Deutsche Börse wil precies hetzelfde. De gesprekken tussen de verschillende partijen zijn in volle gang. Een overnamegevecht hangt in de lucht.

De komst van één Europese marktplaats voor de handel in effecten is onafwendbaar. Banken, verreweg de belangrijkste klanten van beurzen, willen zonder barrières beleggen in Europa. Dat is makkelijk en uiteindelijk vooral goedkoper. Maar tot dusver is Europa voor de banken nog een lappendeken aan beurzen met hun bijbehorende tarieven en handelssystemen.

De nieuwe fusiekoorts is aangewakkerd door de krimpende markt. Beleggen is uit, het aantal transacties is de afgelopen jaren door de economische malaise sterk gedaald. Schaalgrootte is cruciaal om de kosten van de beursorganisaties te drukken nu de inkomsten minder zijn.

De beursbedrijven realiseren zich dat als geen ander. Consolidatie is de naam van het spel. De laatste grote poging daartoe was vier jaar geleden. Toen probeerde de Zweedse beurs door een vijandig bod de London Stock Exchange (LSE) in te lijven. De poging strandde. Aandeelhouders van de LSE, de grootste handelsplaats voor effecten in Europa, zagen de inlijving niet zitten.

Het vijandige bod van de Zweden kwam nadat de London Stock Exhange en Deutsche Börse in het voorjaar van 2000 aankondigden met elkaar te fuseren. Maar het feestgevoel tussen beide partijen was van korte duur. Maanden later ging de fusie in rook op doordat als details bestempelde zaken opeens levensgrote problemen waren.

Het jaar 2000 was niet alleen het jaar van de mislukte beursfusie en het mislukte vijandige bod, maar ook het jaar waarin de beurzen van Amsterdam, Parijs en Brussel fuseerden tot Euronext. Daarmee ontstond een volwassen derde partij in Europa, naast de LSE en Deutsche Börse.

Deze drie partijen hebben de sleutel in handen om tot één Europese beurs te komen. Een week geleden probeerde Deutsche Börse opnieuw LSE in te lijven. Er is een `indicatief' bod van 1,3 miljard pond (1,9 miljard euro), maar de Britten hebben dit afgewezen. Euronext zou werken aan een bod op LSE.

De overnamestrijd is een kwestie van de dood of de gladiolen. Wie de LSE inlijft heeft daarmee in één klap het definitieve marktleiderschap veroverd. De afstand tussen de nummer één en nummer twee is dan significant. De schaalvoordelen die de grootste partij weet te creëren moeten de transactiekosten voor de klanten verlagen waarmee vervolgens weer marktaandeel is te winnen.

Voor particuliere beleggers is dat meegenomen. Maar dat is ook het enige voordeel van het aanstaande overnamegevecht. Zij geven hun effectenorders tenslotte door aan hun bank, die de order uitvoert via één van de beurzen.

Illustratief is dat drie Nederlandse banken goed zijn voor circa 85 procent van de orderstroom in Amsterdam: ING, Fortis en ABN Amro. Bij die banken zitten bijna alle rekeninghouders, cliëntendepots en emissiebedrijven en zij voeren de orders uit voor pensioenfondsen en verzekeraars. Om er voor te zorgen dat die grootbanken hun orders niet binnenshuis afhandelen is er een scherp degressief tarief nodig van Euronext waardoor de grote spelers veel aantrekkelijker hun orders kunnen uitvoeren dan de kleine.

Tegen die achtergrond is de overnamestrijd voor Euronext van levensbelang. In feite heeft de beurs geen andere mogelijkheid dan een tegenbod op tafel te leggen voor LSE. Het is de bekende trend van eten of gegeten worden.

Na de Europese consolidatie staat nog een consolidatie te wachten op mondiaal niveau. Daarin spelen vooral de New York Stock Exchange (Wall Street) en de Nasdaq een hoofdrol, de twee belangrijkste beurzen ter wereld. Lukt het Euronext niet om LSE in de wacht te slepen, dan rest slechts het leven in de marge van de beurssector.