Dan ook de kerstman eruit?

De verdraagzaamheid tegenover religieuze symbolen in de openbare ruimte schiet tekort. Zij zijn deel van onze bonte en diffuse culturele identiteit, vindt Peter Nissen.

De strijd tegen religieuze symbolen in de openbare ruimten breidt zich uit. Begonnen in Frankrijk als een campagne tegen kruisen, keppeltjes en hoofddoekjes in scholen en overheidsgebouwen, keert zij zich nu ook tegen andere symbolen in gebouwen, op straten en op pleinen.

In Frankrijk is een kerstboom op verzoek van leerlingen uit een middelbare school verwijderd en vervolgens op last van enkele docenten weer teruggeplaatst, maar nu op een minder opvallende plaats.

In een district van de Amerikaanse staat Florida zijn op last van de overheid alle kerstbomen bij openbare gebouwen weggehaald (NRC Handelsblad, 17 december). Het argument luidt: de boom staat symbool voor een christelijk, dus religieus feest.

Dit nieuwe hoofdstuk in de strijd tegen religieuze symbolen in de openbare ruimte toont echter tegelijk de ridiculiteit ervan aan. De kerstboom is in oorsprong immers helemaal geen christelijk symbool. Het groen van de naaldboom stond symbool voor levenskracht en vruchtbaarheid al lang voordat christenen de kerstboom in hun huis of kerk toelieten.

Karel de Grote verbood in 807 nog de cultus rond een met lichtjes versierde boom. Pas in de vroegmoderne tijd begonnen christenen zich de boom toe te eigenen als symbool voor Christus die, zoals de den en de spar de winter overleven, door zijn verrijzenis de dood heeft overwonnen. Feitelijk is het de thematiek van Pasen die de boom bij Kerstmis terecht heeft doen komen. In de zeventiende en achttiende eeuw begonnen vooral protestanten in Duitsland en de Elzas kerstbomen in huis te plaatsen en in de negentiende eeuw ook in de kerk en de school. In Nederland was de kerstboom vóór de negentiende eeuw onbekend. Toen pas raakte hij hier langzaam ingeburgerd door de invloed van de zondagsscholen en het voorbeeld van de aangetrouwde Duitse leden van het koninklijk huis: de twee echtgenotes van koning Willem III, Sophia en Emma. In katholieke kring werd de kerstboom nog lang als een heidens symbool gezien. Nog in de jaren zestig van de twintigste eeuw werd in de krant van het Vaticaan, de Osservatore Romano, van leer getrokken tegen de heidense boom. Sinds 1982 prijkt echter zelfs op het Sint-Pietersplein ieder jaar een imposante kerstboom.

Heel anders ligt het met de kerstman. Die heeft immers juist wel een christelijke oorsprong. Ja, hij is in oorsprong niets anders dan een wat geseculariseerde variant van Sinterklaas. Zijn Amerikaanse naam Santa Claus verraadt het al.

De kerstman is een roomse bisschop incognito die zijn ambt heeft neergelegd. Op negentiende-eeuwse prenten in kinderboeken is goed te volgen hoe de mijter van de bisschop langzaam verschrompelt tot de slaapmuts die de kerstman nu draagt en hoe de tabberd van de goedheiligman krimpt tot het kabouterjakje van Santa Claus. De protestantse en liberaal-burgerlijke variant van Sint Nicolaas uit de kinderboeken van de negentiende eeuw heeft de kerstman voorbereid die door de Coca Cola Company over de hele wereld populair gemaakt is.

Als dus kerstbomen uit openbare ruimten verwijderd zouden moeten worden, dan moet de kerstman er al zeker uitgezet worden. In de jaren vijftig van de twintigste eeuw is dit in het katholieke zuiden van Nederland en in Vlaanderen ook geprobeerd. De kerstman werd daar als een ongewenste concurrent van Sinterklaas gezien en als een vertroebeling van de aandacht voor het kerstkindje. Het verzet tegen de kerstman kwam feitelijk voort uit het katholieke streven de religieuze symboliek in de openbare ruimte te monopoliseren. Het is vruchteloos gebleken: ook in het katholieke zuiden verschijnt de kerstman nu op straat.

Moet hij daar voortaan met harde hand verwijderd worden? En wat staat ons vervolgens, met een beroep op de `laïcité', nog meer te wachten? Wanneer moet de Pinksterbloem van naam veranderen, wanneer start de actie tegen de paashaas?

Maar is de verwijzing van deze symbolen naar een religieuze of confessionele traditie wel altijd zo eenduidig als hun tegenstanders menen? De voorbeelden van de kerstboom en de kerstman maken duidelijk van niet. Symbolen werken op een complexe en gelaagde manier.

Daarom pleit ik voor meer verdraagzaamheid tegenover religieuze symbolen in de openbare ruimte. Zij zijn deel van onze bonte en diffuse culturele identiteit.Juist omdat die identiteit bont en diffuus is, kan van een monopolisering van de levensbeschouwelijke symboliek in de publieke sfeer geen sprake zijn. Dus ook niet van een monopolisering door een vermeende neutraliteit.

Peter Nissen is hoogleraar kerkgeschiedenis aan de Radboud Universiteit Nijmegen en decaan van de Faculteit der Theologie.