Crisis in Servische Republiek in Bosnië breidt zich uit

In de Servische Republiek in Bosnië is de hele regering afgetreden, na de sancties die Bosnië-bestuurder Paddy Ashdown vorige week tegen een aantal hoge functionarissen heeft afgekondigd. In Servië uitte gisteren premier Vojislav Koštunica scherpe kritiek op Ashdown.

De val van de regering van de Servische Republiek werd gisteren gemeld door de president van de Servische entiteit in Bosnië, Dragan Cavic. Hij zei het ontslag te hebben aanvaard. Eerder al waren premier Mikerevic en enkele ministers opgestapt. Ook de minister van Buitenlandse Zaken en de onderminister van Burgerzaken van de centrale Bosnische regering zijn afgetreden. Verder werd gisteren duidelijk dat de voorzitter van het collectieve presidentschap van Bosnië – de facto president van het land – de Bosnische Serviër Borislav Paravac, zijn ontslag heeft ingediend.

De crisis tussen Ashdown en de leiding van de Servische Republiek werd vorige week ingezet door het ontslag, door Ashdown, van zes politiecommandanten en drie lokale bestuurders wegens hun weigering samen te werken met het Joegoslavië-tribunaal. Ashdown verwijt de regering van de Servische Republiek ook haar weigering in te stemmen met opheffing van de politiemacht van de entiteit. Hij streeft naar de vorming van één politiemacht voor heel Bosnië.

Premier Koštunica van Servië beschuldigde Ashdown gisteren van het destabiliseren van Bosnië. ,,Ik wil onderstrepen dat Ashdown op grove wijze het [vredes]akkoord van Dayton schendt omdat annex tien van dat in 1995 gesloten vredesakkoord bepaalt dat hij de activiteiten van burgerlijke organisaties moet coördineren en hun autonomie moet respecteren'', aldus Koštunica. Dat betekent volgens hem dat Ashdown niet het recht heeft de politiemacht van de Servische Republiek af te schaffen. Volgens de Servische premier zijn de beslissingen van de Bosnië-bestuurder ,,ondemocratisch en ongepast''.

Ook de president van de unie Servië en Montenegro, Svetozar Marovic, uitte gisteren kritiek op Ashdown, zonder hem echter met name te noemen. Hij zei dat ,,niemand het recht heeft instabiliteit te introduceren, de politiek te radicaliseren en de opening van vraagstukken uit het verleden te stimuleren''.