Babyboomers ten onrechte mikpunt

Babyboomers. Het woord wordt gebruikt als alarmsignaal. Het betreft mensen uit de leeftijdsklassen van 45 tot 54 jaar. Ze maken zich zorgen over hun pensioen, hun prepensioen en zelfs over de AOW. Want dat alles zou te veel kosten. Het kabinet wakkert deze stemming aan in de context van de vergrijzingsproblematiek. Daar worden vele bezuinigingsmaatregelen op gebaseerd.

Als we stilstaan bij die leeftijdsklassen, rijst echter twijfel. Mensen van 45 tot 54 jaar zijn geboren in 1950 tot 1959 en de vraag is of er zoveel jaren na de Tweede Wereldoorlog nog steeds een geboortegolf was. Zijn die mensen wellicht ongerust gemaakt op twijfelachtige gronden en zijn de paniekverhalen over de vergrijzing eenzijdig?

In geboortecijfers van het CBS is inderdaad sprake van een geboortegolfje van 1946 tot en met 1949. Er was een maximum in 1946. Toen werden per duizend inwoners dertig baby's geboren. Daarna nam dat golfje snel af. In 1950 was het al iets lager dan 23 en het liep verder terug tot 21 omstreeks 1964.

De geboortepiek na de Tweede Wereldoorlog duurde hoogstens vier jaar, want vanaf 1950 komt het niveau heel gewoon terug op het vroegere peil, namelijk dat uit de oorlogsjaren en van de jaren twintig (omstreeks 23). Het is wel hoger dan in de jaren dertig, maar dat waren de jaren van een ernstige economische crisis. Er is dus na 1950 absoluut geen sprake meer van een geboortegolf en van babyboomers.

Er is wel een proces van vergrijzing aan de gang. Dat komt niet in de eerste plaats door de babyboomers, maar door de `babydippers'. Want in de jaren '70 van de vorige eeuw zijn de geboortecijfers drastisch gedaald tot omstreeks 13 per duizend inwoners en dat is sindsdien zo gebleven. Die geboortejaren bevatten dus veel minder mensen. Als sprake is van mogelijk hogere lasten dan wordt dat mede veroorzaakt door die geboortedaling.

Als werkelijk een probleem dreigt van grotere lasten voor de babydippers, wanneer doet dat probleem zich dan voor en hoe ernstig is dat dan? Als we ons beperken tot het pensioen na 65 jaar, dan kan bij benadering het volgende geconstateerd worden.

De kinderen uit de echte geboortepiek van 1946 bereiken omstreeks 2010 de leeftijd van 65 jaar. De eerste babydippers uit 1975 zijn dan op een leeftijd van 35 en die moeten gaan meebetalen voor de AOW van die 65-plussers. Maar de mensen die dan 35-65 jaar zijn, dragen ook nog bij en die zijn afkomstig uit de jaren van vóór de geboortedip. Ze zijn dus nog met relatief velen en betalen ruwweg nog voor driekwart de lasten. Zelfs in 2020 dragen de 45- tot 65-jarigen nog steeds ongeveer de helft bij. Tot die tijd, en dat duurt nog 15 jaar, is nog niet veel aan de hand. En de geluiden van de overheid, van hoogleraren en ook van de jongeren zelf dat ze voor extra hoge kosten moeten opdraaien, zijn voor de komende 15 jaar goeddeels misplaatst.

Maar onheilsprofeten gaan verder. Zij beweren dat het na 2020 pas echt moeilijk wordt. Dat is mogelijk, maar om daar nu al op vooruit te lopen is zeer aanvechtbaar. In de eerste plaats zijn prognoses op een dergelijke lange termijn hachelijk. Verder is ook voor de periode na 2020 een geleidelijke aanpassing mogelijk, zonder die alarmerende sfeer over vergrijzing. Die vergrijzing is namelijk al tientallen jaren aan de gang. De afgelopen dertig jaar is het aantal 65-plussers toegenomen van 10 tot 13,5 procent: dat is 3,5 procentpunt meer. Voor de komende dertig jaar is weliswaar een sterkere toename te verwachten, namelijk 8,5 procentpunt, maar er is ook alle tijd voor een zeer geleidelijke aanpassing van premies en belastingen.

Termen als babyboom leiden gemakkelijk tot stigmatisering en tot generatietegenstellingen, die niet in overeenstemming zijn met de feiten. Al die zwaar aangezette beschouwingen van ministers en hoogleraren en zelfs de Raad van State zijn niet nauwkeurig genoeg en wakkeren tegenstellingen tussen generaties wellicht juist aan.

Prof.dr. G.P.A. Braam is emeritus hoogleraar sociologie en onderzoeksmethoden aan de Universiteit Twente.