Leerlingen moeten niet te veel geloven

Het godsdienstonderwijs moet worden ontdaan van pertinente waarheden en ruimte laten voor een religieus beleven dat niet vatbaar is voor indoctrinatie, meent Ton de Kok.

Nietzsche heeft zich vergist: God is niet dood, zelfs niet in Nederland. Een tijd lang hebben we gemeend God uit ons denken te kunnen verbannen. Maar de laatste jaren beseffen we weer dat het overgrote deel van de mensheid gebukt gaat onder religieus verlangen. Uit de discussie van de laatste jaren en uit veel indicatoren blijkt dat religie in de wereld aan actualiteit toeneemt. We beginnen te beseffen dat onze geseculariseerde levensstijl ons niets extra's heeft gebracht en het pleidooi, op 1 januari, van burgermeester Cohen religie te sublimeren tot maatschappelijk bindmiddel, was daarvan een indicatie.

Nu lopen al meer mensen met die gedachte rond. Op 11 september stond in deze krant een interview met de H. van Oorschot, voorzitter van het college van bestuur van de Universiteit van Tilburg. Hij beweerde zelfs dat wetenschappers die in de toekomst religie met `een ontkennende houding' tegemoet treden, `minder relevant' zullen worden. Cohen en Van Oorschot deden uitspraken die lange tijd ongehoord waren en het is niet verwonderlijk dat zij nalieten aan te geven hoe dan `het geloof als drijvende kracht' (Van Oorschot) in dienst van de samenleving productief te maken.

Sceptici zullen tegenwerpen dat het geloof weliswaar een drijvende kracht is, maar dan toch veelal een destructieve. Monotheïstische godsdiensten, waarin een `persoonlijke God' centraal staat, lenen zich bij uitstek voor aanzet tot geweld door bedrog, valse beloftes en andere vormen van manipulatie door geestelijke leiders. Het is dan ook een illusie te denken dat deze religies in de 21e eeuw nog tot een positieve maatschappelijke kracht zouden kunnen worden omgevormd.

Het zou al vooruitgang zijn als politieke besluitvormers van vandaag de moed hebben met nieuw beleid, dat wil zeggen met rationalisering van godsdienstonderwijs, een poging te wagen de mogelijkheid van manipulatie die deze godsdiensten in zich dragen, te neutraliseren en hun positieve kanten te optimaliseren.

Hoe zou het godsdienstonderwijs enigszins kunnen worden gerationaliseerd zonder de vrijheid van godsdienst geweld aan te doen?

In het primaire fundamentele confessionele onderwijs krijgen kinderen tussen 4 en 12 jaar `absolute waarheden' aangeboden. Monotheïstische godsdiensten gaan uit van Gods Woord en aangezien God niet anders kan zijn dan een volmaakt wezen, moet Zijn Openbaring ook de absolute waarheid zijn. Dergelijke `absolute waarheden' behoren al eeuwenlang tot het autoritaire denken, maar sinds onze democratische staat vorm kreeg, hebben we, tot op de dag van vandaag, uit een gevoel van piëteit onze democratisch-paradoxale houding tegenover dergelijk godsdienstonderwijs niet gewijzigd. Een democratische samenleving zou het onderwijs van joodse, christelijke en islamitische signatuur erop dienen te wijzen dat de risico's van `absolute waarheden' vandaag de dag niet meer kunnen worden aanvaard. Zij vormen immers de basis voor intolerantie en geweld en zijn dus in strijd met het algemeen democratisch belang.

Op basis van een praktisch en een principieel argument is het niettemin aanvaardbaar dat die situatie in dat relatief kleine hoekje van het confessioneel onderwijs voortduurt. Enerzijds omdat het verplicht stellen van enig relativerend godsdienstvergelijkend lesmateriaal op die scholen op grote politieke bezwaren zal stuiten, anderzijds omdat er niets mis mee is als jonge kinderen de dag openen en sluiten met gebed of een stukje uit een heilig boek. Ik zeg dit met grote aarzeling omdat juist op die leeftijd veel schade aan de kinderziel kan worden toegebracht. Maar aangezien er maar weinig principieel zuivere confessionele scholen zijn, kan ik over die aarzeling heen stappen.

De scholen die geen waarachtig confessioneel profiel meer hebben, zullen bereid moeten zijn om verantwoording af te leggen over de status die zij nog steeds voor zichzelf opeisen. Als schoolbesturen zich in een oprecht zelfonderzoek afvragen hoe het staat met de vroomheid op school, met het onderricht in leerstellingen en de aanname van godgelovige leerkrachten, zullen veel van die scholen moeten toegeven dat hun de status `confessioneel' niet meer toekomt. Op deze scholen wordt niet meer aan absolute waarden vastgehouden en dat maakt de weg vrij voor invoering van nieuw beleid. Uitgezonderd het waarachtige confessionele onderwijs, zouden alle scholen in het primaire onderwijs de verplichting moeten krijgen lessen `vergelijkende godsdienst en levensbeschouwing' in hun programma op te nemen.

De kinderen uit het nu uitgedunde, maar echte, confessionele onderwijs zitten dan weliswaar op eilanden van `onwetendheid', maar dat probleem kan worden opgelost na hun overgang naar het voortgezet onderwijs. In nieuw beleid wordt het gehele voortgezet onderwijs openbaar en wordt ook daar de verplichting opgelegd alle leerlingen gedurende hun basisvorming, een aantal jaren, een lesuur in de week, levensbeschouwelijke oriëntatie aan te bieden. De jongeren uit het gehandhaafde confessionele primaire onderwijs zullen zich dan moeten openstellen voor andere waarheden en de niet-gelovigen leerlingen krijgen, behalve begrip voor geloofsvraagstukken, kennis over de existentiële vragen van het leven.

In de bovenbouw van HAVO/VWO wordt die verplichte oriëntatie voortgezet tot het laatste jaar. Leerlingen staan in die leeftijdsfase open voor een filosofisch programma waarin `religie van de rede' een belangrijke plaats krijgt. In zo'n programma kunnen zij kennismaken met een aantal relevante filosofen – Spinoza als een must – die de leerlingen van de bovenbouw een boeiend uitzicht kunnen bieden op rationele godsconcepten. Het sluitstuk van hun levensbeschouwelijke vorming zou dan moeten zijn de huidige discussie tussen aanhangers van het intelligent design-concept en de materialisten over oerknal en evolutie. Die laatste lessen zijn dan voor de natuurkunde en biologieleraar.

Deze afrondende verdieping in het denken over abstracte, aan de natuurwetten gerelateerde, godsconcepten zal – naast maatschappelijke voordelen van een algemene levensbeschouwelijke vorming – leerlingen de mogelijkheid bieden voor een andersoortig, niet-theïstisch, religieus beleven en overdenken. Dat is dan een religieus beleven dat niet meer vatbaar is voor indoctrinatie en geen aangrijpingspunten meer heeft voor intolerantie en geweld.

Dr. Ton de Kok is docent godsdienst en levensbeschouwing op het katholieke lyceum Fons Vitae te Amsterdam en oud-lid van de CDA-fractie in de Tweede Kamer.