In de media bestaan `officieel' en `niet-officieel' Japan

Hoe representatief zijn media voor een land? In een serie belichten onze correspondenten media of journalisten die `staan' voor een cultuur of een verschijnsel. Vandaag deel 1: de in Japan niet-bestaande beroepsgroep `journalist'.

Yu Terasawa is naar alle internationale standaarden een uitstekend journalist, maar helaas bestaat in Japan de beroepsgroep `journalist' niet. Dit mag in het Nederlands cryptisch klinken, in het Japans wordt de zaak snel een stuk duidelijker. Het woord journalist, een term die alle journalisten omvat of ze hun geld nu verdienen als freelancer of bij de prestigieuze publieke omroep NHK, bestaat in het Japans niet.

Dit resulteert in grote problemen voor iemand als Terasawa. Hijzelf is, in een verbastering van de Engelse term, een jaanarisutto – een titel die in Japan is gereserveerd voor freelancers. Verslaggevers van dagbladen, omroepen en persbureaus de `gevestigde media' zullen zich nooit zo betitelen. Voor hen bestaan andere, Japanse termen, met een verschil in rechten. Beter gezegd: freelancers hebben geen rechten.

Terasawa is gespecialiseerd in politiecorruptie en wil regelmatig rechtszaken bijwonen. Dat laatste is een probleem. Als freelancer heeft hij geen recht op een zetel op de perstribune en ook geen recht op kopieën van vonnissen. Bij zaken waarvoor grote publieke belangstelling worden zetels voor het publiek doorgaans verloot.

Het is Terasawa al verschillende malen overkomen dat hij zich bij een gerechtshof ergens in het land meldde en de rechtszaal niet in kwam omdat hij het verkeerde lot trok. Als journalist stelt Terasawa dat dit neerkomt op een schending van de grondwet die vrijheid van meningsuiting garandeert en discriminatie verbiedt. Een aantal jaren terug heeft hij op deze gronden zijn eerste rechtszaak tegen de staat aangespannen. Hij verloor, maar heeft nu opnieuw een zaak aangespannen omdat de omstandigheden zijn veranderd.

Wat is de kern van het probleem? Binnen alle overheidsinstanties en grote particuliere organisaties als Kamers van Koophandel zijn `persclubs' gevestigd. Alle communicatie met de buitenwereld verloopt via deze clubs. Maar alleen verslaggevers werkzaam bij de grote dagbladen, de publieke en particuliere omroepen en de twee landelijke persbureaus kunnen lid worden van deze clubs.

Alle andere `journalisten' kunnen nooit aanwezig zijn bij officiële persconferenties of, bijvoorbeeld, een zetel op de perstribune in de rechtszaal eisen. Deze `gevestigde' media beheren zodoende een gesloten kartel dat volledige controle heeft over informatieverspreiding. Een organisatie als de Nederlandse Vereniging van Journalisten, die 20 procent freelancers onder de leden telt, ontbreekt in Japan. Een Japanse freelancer heeft alleen zijn zelfgedrukte visitekaartje om zich als journalist te identificeren.

Het is niet alleen Terasawa die wijst op fundamentele problemen in dit stelsel. Driekwart van de journalisten werkzaam bij de `officiële' media meent dat het systeem van de `persclubs', waarbinnen zij zelf werken, leidt tot ,,eenzijdige berichtgeving'' bij de kranten, aldus een tien jaar oud onderzoek van de Federatie van Krantenuitgevers, die zelf juist de belangrijkste pilaar is waarop dit stelsel rust.

Tweederde van de ondervraagde journalisten stelt dat het stelsel ,,manipulatie van informatie [door de overheid] vergemakkelijkt''. Zo'n 40 procent erkent dat ze door dit systeem ,,verslappen'' en ,,stoppen met eigen nieuwsgaring''. Het zijn altijd de jonge verslaggevers die zijn geaccrediteerd bij ministeries en dagelijks naar een ministerie niet hun eigen krant gaan om hun werk doen, omgeven door ervaren bureaucraten die altijd beter op de hoogte zijn. Het is niet ongebruikelijk dat voor persconferenties van de Japanse premier verslaggevers en ambtenaren vragen en antwoorden doornemen zodat er later een toneelstukje wordt opgevoerd.

De vraag is wie de echte journalisten zijn: de freelancers of de verslaggevers van de grote media. ,,Ze doen geen eigen onderzoek, maar zitten in overheidsgebouwen simpelweg te wachten tot het nieuws wordt aangereikt'', zegt Terasawa over zijn collega's. Terwijl hij zelf moet graven om verhalen boven water te halen.

Zo is hij voor zijn laatste serie artikelen naar Bangkok gereisd om te spreken met een Thai die tot voor kort in een Japanse cel zat wegens wapensmokkel. De spectaculaire vangst van 61 pistolen waarvoor de Thai in 1994 was gearresteerd was doorgestoken kaart, stelt Terasawa in zijn verslag in het weekblad Shukan Gendai.

De smokkel was opgezet door de politie om de eigen `productiecijfers' op te krikken. De Thai was het slachtoffer van dit complot. Dit verhaal heeft geen protest opgeleverd van de overheid, en is doodgezwegen door de `gevestigde' media.

Zo ontstaan een `officieel' en een `niet-officieel' Japan in de media. Terasawa stelt dat ,,rechters helemaal niet willen laten zien wat er in de rechtszaal gebeurt''. ,,Rechters bestaan alleen om te pretenderen dat we een scheiding der machten hebben. De rechtszaal is niet meer dan een podium om te komen tot een veroordeling die al van te voren vaststaat, zoals blijkt uit het percentage schuldigverklaringen in strafrechtszaken van rond de 99 procent.''

Misdaad bestaat in de gevestigde media pas als justitie ingrijpt. Zo hebben Terasawa en drie collega freelancers een lang gevecht gevoerd met het grootste consumentenkredietbedrijf in Japan, Takefuji, dat banden met de georganiseerde misdaad onderhoudt. Takefuji liet in deze strijd zelfs de telefoon van een van de vier illegaal aftappen.

De freelancers schreven over de illegale praktijken van het bedrijf in soms obscure tijdschriften. Pas toen de politie ingreep met een huiszoeking bij Takefuji, kwam er een lawine van berichten in de reguliere media vol met `nieuws' over het bedrijf, dat verschrikkelijk oud was voor wie enigszins op de hoogte was.

Ook buitenlandse correspondenten hebben last van dit stelsel en lang geprotesteerd. Dit leidde afgelopen voorjaar tot een oekaze van het ministerie van Buitenlandse Zaken aan alle andere overheidsdiensten om geaccrediteerde correspondenten toegang te geven tot persconferenties. Dit inspireerde Terasawa, want hij wil niet dat er alleen maar veranderingen in het persclubsysteem plaats hebben ,,dankzij druk van buitenlanders''.

Zo is ook de voorgaande grote verandering eind jaren tachtig bereikt door een buitenlander, de Amerikaanse advocaat Lawrence Repeta. Een rechter had hem verboden als toehoorder aantekeningen te maken in de rechtszaal, want dit was alleen toegestaan voor leden van de officiële persclub. Tot aan de Japanse Hoge Raad vocht Repeta dit verbod aan. Nu is het toegestaan dat toehoorders, en dus ook freelance journalisten die slechts als gewone toehoorder een rechtszaak kunnen bijwonen, tijdens de zitting aantekeningen maken.

Dit is het eerste deel van een serie.