Er wordt verder gepraat na klimaattop

De klimaattop in Buenos Aires is afgelopen met een wel heel klein succesje. Er is afgesproken in de toekomst verder te praten over de opwarming van de aarde.

Aan het `akkoord' van de vrijdagnacht geëindigde klimaattop in Buenos Aires is af te meten hoe het staat met de onderhandelingen over het klimaat. Er waren bijna een etmaal onderhandelen en uitloop in een nachtelijke sessie voor nodig om de Verenigde Staten en hun medestanders zover te krijgen dat ze ermee instemden om volgend jaar verder te praten.

Dit succes kon pas worden bereikt na een concessie van de voorstanders van stevige maatregelen om de opwarming van de aarde te beteugelen. Zij moesten slikken dat er vanaf mei 2005 weliswaar wordt gepraat, maar alleen als dat gebeurt zonder de intentie om bindende afspraken te maken. Het gaat om een informeel `seminar', met adviseurs van regeringen die verder geen enkele beslissingsbevoegdheid hebben. Paula Dobriansky, de Amerikaanse onderminister van Buitenlandse Zaken, noemde het voor de duidelijkheid ,,prematuur om te discussiëren over afspraken voor het post-Kyoto tijdperk''.

De optimisten meenden toch enige lichtpuntjes te zien. De top in Buenos Aires ,,markeerde tien jaar actie [om het klimaatprobleem] dat nog decennia, zo niet eeuwen bij ons zal zijn, aan te pakken'', wist een woordvoerder van de Verenigde Naties, verantwoordelijk voor een wereldwijd klimaatbeleid, er van te maken. Volgens haar was het ,,een conferentie van de hoop, die werd aangewakkerd door het momentum van de inwerkingtreding van het Kyoto-protocol op 16 februari 2005''.

Grote woorden, die maar moeilijk te rijmen zijn met de werkelijkheid. Want het is waar dat het in 1997 in Kyoto gesloten protocol, na langdurig traineren van Rusland, eindelijk in werking treedt. Maar de twee grootste vervuilers, de Verenigde Staten en China, doen niks. De eerste omdat die weigert te ratificeren, de tweede omdat die als ontwikkelingsland voorlopig zijn gang mag gaan. Daarmee valt meer dan veertig procent van alle uitstoot van kooldioxide wereldwijd niet onder het protocol.

De Verenigde Staten hebben zich in Buenos Aires keihard opgesteld. Dat bood een deel van de ontwikkelingslanden de kans om zich achter Amerika's brede rug te verschuilen in hun hardnekkige weigering om actie te ondernemen. Met name de ontwikkelingslanden zijn een gemêleerd gezelschap. Hiertoe behoren olie-producerende landen als Saoedi-Arabië, dat vooral vreest voor een daling van de vraag naar olie, en opkomende economieën als China, dat sinds 1990 (een ijkjaar voor `Kyoto') de uitstoot van kooldioxide met 44,5 procent zag toenemen tot ruim 3,3 miljard ton per jaar. Maar ook de kleine eilandstaatjes, die het water bijna letterlijk tot de lippen komt, als de zeespiegel nog verder stijgt, en die zo snel mogelijk actie willen.

Zo werd er in Buneos Aires eigenlijk vooral gepraat over manieren om de gevolgen van klimaatverandering onder controle te houden. In de woorden van de conferentie: ,,Wetenschappelijke beoordeling van de risico's en de mogelijkheden om zich daaraan aan te passen, ondersteuning van Nationale Actieplannen voor de minst ontwikkelde landen.'' Op dit terrein, waar technologische vernieuwing het toverwoord is, voelen ook de VS zich thuis.

Dat wil zeggen: bij het bedenken van die vernieuwingen. Hoe die betaald moeten worden is de vraag. Want het probleem blijft dat de armste landen het minste kooldioxide uitstoten, maar het zwaarst worden getroffen door de klimaatverandering.

Europa zal een speciaal fonds voor ontwikkelingslanden verhogen van 100 tot 450 miljoen euro per jaar. Maar in de wetenschap dat vorig jaar verzekeraars 35 miljard dollar moesten uitkeren voor aan natuurrampen gerelateerde schade is dat een druppel op een inmiddels zeer gloeiende plaat.