Ze snappen niet wat voor straatje dit is

`Als ik begin pak ik eerst allemaal spullen in. Al m'n beeldjes. Al m'n staande lampen. Overal waar nu kerstpoppen staan moet ik eerst de lampen weghalen. De grote vazen. Dingen aan de muur. Er zijn negen dozen vanaf gekomen. Van die grote verhuisdozen.

Ik heb dan al bedacht wat ik wil. Verleden jaar had ik zoiets van: ik ga in het zilver. Nu dacht ik: ik wil weer naar beige en goud. Dat is je stemming denk ik. Ik heb dan mijn bedenkingen en ik denk: nee, dit keer neem ik goud. Ik ben wel altijd erg tot goud aangetrokken. Het is warmer. Maar als ik alles in het zilver heb vind ik het ook mooi. Dan vind ik het ook iets hebben.

Als ik weet wat ik wil begin ik. Ik ben er meestal twee of drie weken mee bezig. En dan zit het er tot en met nieuwjaarsdag. Je kunt zeggen: dat is maar een week. Maar het is er natuurlijk ook al als ik er mee bezig ben. Vooral de lichtjes vind ik belangrijk. Dat brengt sfeer. Ik heb nu ... twee, drie ... vijf snoeren, dan om de deur, de ramen ... dus dat zijn acht ... onder de kast ... bij het stalletje: dertien snoeren.

En dan heb ik nog twaalf slangen liggen om buiten het hele silhouet van het huis te maken. Ik heb ook een arreslee met verlichting. Die wilde ik eigenlijk op de bovenste dakkapel zetten. En ik heb nog een vallende ster, een gewone ster en een rooie bel. Dat zit normaal allemaal op de gevel.

Ik vind: hoe het er buiten uitziet is ook belangrijk. In de straat bedoel ik. Dat het gezellig is. Maar dat wordt steeds minder. Er zijn veel oudjes weggevallen in onze straat. En veel mensen die hier nu wonen vatten niet dat het zo'n straatje is. Mensen kennen zulk soort straatjes niet en de samenwerking van mensen.

Dus hierbinnen wil ik m'n eigen in elk geval lekker voelen. Ik heb denk ik wel dertig van die grote dozen met kerstspullen. En dan nog zakken met slingers. Het staat allemaal op de vliering want daar is het droog: er zit veel elektriek bij. Alleen de grote kabouterhoofden liggen beneden. Daar heb ik een stuk of twintig van. Die hingen we altijd door de hele straat aan de gevels. Maar dat doen we niet meer.

Mijn spullen voor in huis liggen allemaal heel precies in de dozen. Dat is ook je behoud: netjes opbergen, dan kan je het ook weer netjes tevoorschijn halen. Ik denk, als ik naar dit huis kijk, dat ik nog wel vier huizen zo aan kan kleden. Maar ik hou het wel altijd in één tint. Dus die twee poppen op de kast zijn er niet als ik in het zilver ben. Want dan past het niet. Dan staat er wat anders.

Mijn lichtjes zijn ook allemaal wit. Of ik neem witte lichtjes of ik neem gekleurde. Bij goud heb ik een keer alle lichtjes gekleurd gehad, maar toen vond ik het te donker in huis worden. Dus toen heb ik alles er weer afgehaald. Ik moet m'n eigen wel lekker d'r in voelen. Als ik zoiets heb van: het irriteert mij, dan gaat het er weer af.

Het klinkt misschien gek, maar ik koop nog elk jaar bij. Drie jaar geleden had je hier een winkel, daar kon je na de feestdagen voor een paar gulden een hele zak vol spullen kopen. Die zak mocht je zelf vullen. Daar zat toen ook heel veel zilver bij, daar had ik geluk mee. Ik heb toen wel acht zakken vol gekocht. We gaan ook naar kerstmarkten. Maar ja, wij vinden niet zo veel meer dat we zeggen: dat hebben we nog niet.

Ik wil niet zeggen: zoals ik hier nu zit zo ben ik begonnen. Maar dat sfeervolle heb ik wel van huis uit gezien. Dus ik denk dat je dat toch meeneemt. Mijn dochter doet het nu ook. Die heeft haar huis Grieks. Dus wit-geel zeg maar. Maar nu is ze toch met rood bezig. Ze zegt: dat is warmer. Mijn schoonzoon zegt: ma, als je wat kwijt wilt dan weet je waar we wonen, hè. Die houdt ook van gezellig.

Mijn oudste dochter is nu twintig. Zij heeft net een kindje gekregen. Ze wonen hier vlakbij. Aan de Zaagmolenkade. Dit is de Burgemeester Roosstraat. Allemaal het Oude Noorden van Rotterdam. Mijn tweede dochter is achttien. Zij woont nog thuis. Mijn zoon is dertien. Die zit in groep acht.

Ik heb hier altijd gewoond. Eerst bij mijn ouders beneden. Toen kwam deze bovenwoning vrij en kregen mijn ouders die erbij. Mijn moeder had toen zoiets van: dan ga jij toch lekker boven zitten. Ik was toen een jaar of vijftien, zestien. Toen ik zeventien was ben ik verloofd. Wij woonden toen al samen. Ik ben getrouwd toen ik achttien was. Mijn man is drie jaar ouder dan ik. Hij heeft een onderhoudsbedrijf.

Eerlijk gezegd vind ik het steeds moeilijker om in deze buurt te wonen. Niet dat ik zou weten waar ik heen moest als ik naar een andere wijk moest. Dus dat is het niet. Maar je ziet: voor alles wat eruit gaat komen allochtoonse mensen terug. Maar ik moet zeggen ... daar woont nu een mevrouw, een jaar of vier, vijf, en die steek je toch ook aan, want die heeft nu ook lampjes en dingetjes. Je trekt toch altijd mensen mee.

Dus dat is het niet. Het is meer van: vijftien jaar geleden was het intiemer. Gezelliger. Onze straat is opzoomerstraat. Dat betekent dat je als buren samen dingen voor je straat doet. Maar de laatste tijd lopen we met z'n vieren of z'n vijven. Dan hebben we in de zomer bijvoorbeeld voor alle huizen plantenbakken, we zetten de planten er voor ze in, maar dan geven de mensen die planten geen druppel water.

Dus laatst een zomer liep mijn moeder met een tuinslang waar we twintig meter aan hadden gedaan, door de hele straat de planten water te geven. Toen had ik zoiets van: ma, ik vind het leuk wat je allemaal doet maar ze zitten achter de ramen met de armen over elkaar te kijken hoe jij hun planten water geeft. Of ze nemen die planten mee en zetten ze bij hun campinghuisje. Dus dat zijn niet de allochtonen. Dat is de mentaliteit. En dan denk je: waarom doen mensen dat. Het is zo'n kleine moeite om de straat leuk te houden. En dan zo.

We hebben ook altijd een grote kerstboom in de straat. De eerste keer zei ik: ik heb allemaal ballen die ik toch niet gebruik, neem die maar. En lichtjes had ik ook. Die ballen waren de volgende dag weg. Dus dat was één keer maar nooit weer. Het is ook een paar keer gebeurd dat de hele boom weg was. Dat is dan om een vuur te maken met oud en nieuw. Dan knippen ze de bedrading kapot en slepen ze hem naar een brandstapel.

En nu is het dus steeds meer dat wij dan met z'n vieren of z'n vijven buiten staan, mijn man op een ladder, terwijl de anderen staan te kijken. Het wordt mooi hè, roepen ze dan. Maar vroeger deden we het met z'n allen. Dan hadden we eerst een creatieve middag voor de kinderen. Die maakten dan slingers van lege waxinedopjes die we met z'n allen hadden gespaard. En dan 's avonds de boom versieren met chocomel en glühwein erbij. Dus dan baal je wel als die boom de volgende dag weg is.

Je moet de mensen nu meer achter de vodden zitten. Mijn moeder maakt tegenwoordig met koninginnedag briefjes die ze bij iedereen door de bus doet: mensen doe de vlag uit. Dan heb je mensen die er gelijk gehoor aan geven. En anderen niet. Dus als je van de vijfentwintig vijftien naar buiten ziet komen ben je blij. Maar de eerste jaren zag je enkel vlaggen.

Dus zo was het. Als je nieuw in de straat kwam wonen, of je ging trouwen, of bevallen, dan ging er altijd een bloemetje of een babypakje van de straat naar toe. Dat was normaal. We doen het nog wel, maar met een paar. Alleen als er iemand overlijdt gaat er nog een tak van de hele straat naar toe.

Mijn kinderen hebben hier altijd graag gewoond. Maar mijn oudste dochter wil nu over een paar jaar verhuizen. Ze zegt: ma, het enige dat ik hier nog hoor is k... dit en k... dat. Ze zegt: ik zou toch niet graag willen dat dat de eerste woorden worden van mijn kind.

Nou las ik toevallig vanmorgen het werkstukje van mijn zoon. Die had een briefje bij zich dat hij moet leren over de islam. Dat is zijn leerstof voor volgende week. Nou, sorry. Dus nou ben ik blij dat hij in groep acht zit. Dat hij straks naar een andere school gaat.

Wat ik belangrijk vind is dat ze het naar de zin hebben op school. En dat het een beetje relaxed is. Dus geen detectiepoortjes. Er is al spanning genoeg. Als hij buiten is dan kijken ze al van: mooi fietsje heb je.

Dus voor mijn zoon is het ook moeilijker geworden. Ook omdat hij een andere mentaliteit heeft. Hij is gevoelig. Dus als hij hier wegfietst ... verleden keer ook ... dan ziet hij dat er wordt ingebroken in een auto en dan zegt hij tegen me: die man heeft me gezien, dus zeg maar niks ma. Dat heeft hij ook als hij buiten fietst: zullen ze m'n fiets pikken. Van de week wilde hij even een spelletje kopen, hij pakt z'n fiets, dan zijn daar een paar van die knakkertjes, hij zegt: ze stonden zo naar mijn fiets te kijken, ik heb hem maar even ergens anders gezet en ik ben maar gaan lopen.

Ik heb hem natuurlijk ook zo opgevoed. Hij is aardig. Als je klein bent zeg je dankuwel alstublieft tegen mensen, zo ben ik opgevoed. En van u zeggen ga je ook niet dood vind ik. Dus veel mensen lopen met hem weg. De meester ook. Maar de maatschappij is keihard. Dus dat is wat me wel eens een beetje beklemt: als dat maar goed gaat.

Hij heeft het niet van een vreemde hoor. Mijn man is net zo. Die staat ook altijd voor iedereen klaar. Wat wij hier doorgeven is denk ik dat je wat voor anderen doet. En dan zeggen mensen wel eens: dat zou ik nooit doen, ik heb genoeg aan m'n eigen. Maar wij doen er geen moeite voor. We spelen dat ook niet. Dan belt een van mijn dochters: die of die daar gaat het niet goed mee en dan weer hup, dan helpen we. Die knul ook. Als die buiten een vrouwtje ziet sjouwen met een zware tas dan zegt ie: zal ik even uw tas dragen. Dat wordt niet meer gedaan dus zo'n wijffie denkt misschien wel: die wil zeker mijn tas stelen.

Maar het is wel jammer. Het is momenteel: ieder voor zich en god voor ons allen. Vroeger had iemand nog iets voor je over. Het is de tijd. Wij proberen het dan nog een beetje hier in de straat. En het lukt toch wel dat je zegt: de mensen zeggen hier nog wat tegen mekaar. Maar hoe dat in de rest van de stad is zou ik echt niet weten.''