Vooruitzichten

Omdat ik bij toeval in de lobby van een Londens hotel een Hollandse vriend ontmoette, zat ik tot na drie uur 's nachts nog te discussiëren over het onderwerp dat ik in Engeland nu juist zo graag vermeden had: Nederland. Het was zo'n gesprek dat zich onwillekeurig steeds opnieuw naar dezelfde pijnpunten beweegt, die in Nederland in iedere alledaagse discussie op de loer liggen en felle verbetenheid oproepen. Het is een felheid die geen echte discussie meer duldt, een felheid waar ze buiten Nederland met een mengeling van ontzetting en ongeloof naar kijken – nieuwe Hollandse woede.

Hebben de onvermoeibare strijders tegen de politieke islam iets blootgelegd waarvoor goedbedoelende Hollanders veel te lang blind zijn geweest – of hebben ze met hun aanhoudende zucht naar directe confrontatie juist iets opgeroepen, wat daarvoor nog helemaal nog niet zo sterk ontwikkeld was? Hebben zij een probleem zichtbaar gemaakt, of zijn ze onderdeel van het probleem? Is de crisis in Nederland het gevolg van de onwil van een grote groep allochtonen om zich aan te passen aan de Nederlandse cultuur, of verkeert Nederland zelf in een crisis – een algemene crisis in zelfovertuiging, zodat iedere Wichtigmacher of hysterische aandachtzoeker nu vrij spel heeft? Als internationale problemen, zoals radicalisering en terreur, zich nu ook in Nederland doen gelden, waarom leidt dat juist hier tot blinde paniek en potsierlijke politieke taferelen? Zijn er grenzen aan de vrijheid van meningsuiting, of is iedere matiging – juist nu, juist nu – een knieval voor mensen met ,,een lager incasseringsvermogen''?

En tot slot: kun je een open samenleving in stand houden door haar stevig op slot te doen?

Mijn vriend en ik wilden het liever niet toegeven, maar gaandeweg de avond kwamen we tegenover elkaar te staan. Hij bepleitte de absolute vrijheid. Ik antwoordde dat die vrijheid niets voorstelde zonder morele begrenzing, anders was het een loze kreet. Mijn vriend wees mij op de gevaren van moralisme – de stilzwijgende capitulatie voor de al te gemakkelijk gekwetste gevoelens van anderen, de sluipende concessies aan mensen die slechts één enkele waarheid accepteren. Ieder pleidooi voor moreel besef was in zijn ogen niets anders dan een excuus voor repressie. Daaruit volgde dat alles gezegd moest kunnen worden. Ook bijvoorbeeld door imam El Moumni, die homoseksualiteit een besmettelijke ziekte noemde. En die vrijheid werd nu bedreigd – in de eerste plaats door de islam in Nederland.

Ik wilde die gevaren wel erkennen, maar had mijn vriend zelf dan geen oog voor de onzinnigheid van zijn geloof in de absolute vrijheid? Het zijn juist de profeten van het vrije woord die meestal verdacht weinig te zeggen hebben. Het woord is vrij, maar dat is het begin van het verhaal, niet het einde. Het was een wrange ironie dat net toen men in Nederland begon te ontdekken dat de moraal misschien iets anders betekende dan een eng en benepen moralisme, men werd geconfronteerd met mensen die zich verschansten in een enkelvoudig wereldbeeld.

De blijvende aanwezigheid van één miljoen islamieten in Nederland, waarvan een deel er opvattingen op na houdt die op gespannen voet staat met de emancipatoire verworvenheden van de afgelopen honderd jaar, dwingt ons ertoe onze overtuigingen tegen het licht te houden en opnieuw te bevestigen. Als er in de samenleving ineens een grote groep mensen opstaat die vóór de doodstraf is, kun je als antwoord niet volstaan met de constatering dat de doodstraf buiten iedere discussie staat, dat we besloten hadden het er niet meer over te hebben. De misvatting die ten grondslag lag aan het ideaal van de multiculturele samenleving was dat allochtonen als vanzelf alle aantrekkelijke normen en waarden zouden overnemen – ze zouden wel gek zijn als ze het niet deden. Nu dat niet het geval blijkt te zijn, nu die vanzelfsprekende acceptatie van de Nederlandse cultuur niet zo vanzelfsprekend blijkt te zijn, reageert men gekwetst en verontwaardigd.

Je zult opnieuw moeten kunnen laten zien waarom je gelooft wat je gelooft. Mijn vriend had zichzelf, beweerde ik, laten gijzelen door zijn angst voor repressie – juist vanwege de totalitaire neigingen van de politieke islam had hij de moraal nu tot verboden terrein verklaard, tot een levensgevaarlijk onderwerp dat in quarantaine geplaatst moest worden, anders gingen kwade geesten er maar mee op de loop. Dat was juist een vorm van capitulatie, vond ik, een vorm van smetvrees die alleen maar tot meer ellende kon leiden. Volgens mijn vriend was het verderfelijk dat door de discussie over het dragen van hoofddoekjes op scholen nu ook naveltruitjes in de klas ter discussie stonden – zie je wel! Volgens mij was het de wijdverbreide angst voor moralisme en inperking van individuele vrijheden die in Nederland de afgelopen decennia iedere inhoudelijke discussie had lamgelegd. En die El Moumni had gewoon een boete moeten krijgen – geen eindeloze media-aandacht, geen opgewonden stukken in de krant, geen debatavonden over vrijheid van godsdienst, en ook geen uitwijzing. Gewoon een burgerlijke boete. Dat is het probleem met Nederland, dat iedereen voortdurend in absolute termen denkt.

Onze discussie in de hotelbar eindigde onbeslist. Mijn Hollandse vriend bleef bij de overtuiging dat de islam maatschappelijke en individuele vrijheden onder druk zette – en ik vond dat hij recht van spreken had, omdat hij was opgevoed als islamiet en eigenhandig zijn persoonlijke vrijheid had moeten verwerven, een vrijheid die voor mij altijd vanzelfsprekend was geweest. Ik bleef bij mijn overtuiging dat het geen toeval was dat juist in Nederland de islam tot een nationale obsessie had kunnen uitgroeien – alleen een land dat niet in staat is ergens meer in te geloven, voelt zich zo hevig bedreigd door het geloof van anderen. De grote woorden, de idiote blikvernauwing, de permanente staat van verongelijktheid en de verbeten agressie tegen alles wat voor overheid en establishment doorgaat, links of rechts, het heeft maar heel weinig te maken met sociale problemen die te lang genegeerd zijn.

Mijn vriend en ik gingen uiteen zonder de wrok waarmee zoveel Hollandse debatten nu worden besloten. Misschien omdat we het over één ding wel eens waren, precies datgene wat ons steeds maar weer over dat idiote Nederland deed praten. De vooruitzichten, vonden we allebei, waren niet goed.