Van Ziel naar Hart naar Psyche naar Persoonlijkheid

Een schrijver schept romanpersonages, maar hij of zij is daar niet vrij in. Elke tijd dicteert zijn eigen personages en ook de taal waarin ze beschreven worden. Van net-niet-meer christelijke personages uit de negentiende eeuw, tot vriendelijke shoppers in de 21ste.

Dit is de bekorte tekst van de Huizinga-lezing die mevrouw Byatt gisteravond hield in de Pieterskerk in Leiden.

Het is een belangrijk moment – een soort `rite de passage' – in het leven van een schrijver, als hij of zij beseft dat personages uit woorden bestaan. De individuele personages maken deel uit van een weefsel van woorden, als ware het een wandkleed, en de woorden waaruit de afzonderlijke personages zijn opgebouwd staan in verbinding met het patroon van alle andere woorden. De woorden in een boek zijn de woorden die beschikbaar zijn op het moment dat het geschreven wordt, net zoals een tapijtwever zich moet beperken tot de kleurstoffen en de ideeën over het uiterlijk van mensen en dieren en planten die in zijn tijd in zwang zijn.

Ik wil het hebben over de manier waarop die personages in de loop van de geschiedenis van de roman zijn geëvolueerd, onder invloed van de veranderende houding tegenover het boek dat ooit als het enige ware en heilige Boek werd gezien, de christelijke bijbel, met zijn personages en opvattingen over wat een mens is en moet zijn. Het Evangelie van Johannes ziet de Incarnatie als het Woord dat Vlees is geworden: verbum caro factum est. Een romanpersonage is vlees dat woord is geworden – een mens, bedacht in het lichaam en de geest van de schrijver, en vervolgens in woorden omgezet en verweven in het wandkleed van de tekst, dat woordpatronen omvat die afkomstig zijn uit de voorraad metaforen en ideeën van de schrijver en die hij – min of meer bewust – heeft geput uit de cultuur om hem heen. En in Europa was deze cultuur nog niet zo lang geleden christelijk, zelfs voor niet-gelovigen.

Hoe je een personage bedenkt, hangt af van de vraag hoe – met wat voor woorden – je wilt dat de lezer zich dat personage voorstelt. Er moeten talloze heerlijke, ingewikkelde keuzes gemaakt worden. Soms, als ik me een scène voorstel, nog voordat er woorden zijn, spring ik van hoofd naar hoofd en kijk ik met verschillende paren ogen rond in dezelfde kamer, tuin of bed. Ik weet hoe het voelt in de magen, teennagels en kelen van diverse mensen, allemaal op hetzelfde moment of de één na de ander. Maar er zijn regels die ik niet zozeer maak, maar ontdek. Sommige personages moeten ondoorzichtig blijven. Je kunt niet in alle schedels doordringen en naar buiten kijken. Het ene uiterste is Joyce's Leopold Bloom, een prachtig beeld van een opmerkzame geest in een sensitief lichaam dat door Dublin wandelt met een overvloed aan gedachten, gevoelens, voorwerpen en lichaamsfuncties – en culturele verwijzingen naar het katholicisme, het classicisme, het jodendom en de reclamewereld – en in taal is gegoten en tot leven is gebracht.

Het andere uiterste is Gogols gave om in twee zinnen een onvergetelijk personage neer te zetten, waar vervolgens niets meer van wordt vernomen:,,- het was moeilijk met zekerheid te zeggen wie zij was, een getrouwde vrouw of een oude vrijster, een familielid, de huishoudster of gewoon een vrouw die in het huis woonde – iets zonder muts, van een jaar of dertig, uitgedost met een veelkeurige sjaal. Er zijn mensen op deze aarde die niet als voorwerpen op zichzelf bestaan, maar als onbeduidende vlekjes of kleine spikkels op andere voorwerpen. Zij zitten steevast op dezelfde plek, ze houden immer hun hoofd op dezelfde manier en je zou ze bijna aanzien voor een stuk meubilair...''

Deze passage komt uit Dode zielen, een roman, geschreven in een christelijke samenleving door een schrijver die zo christelijk was dat hij ertoe gedreven werd het tweede deel te verbranden, uit angst dat zijn observaties en humor ongodsdienstig en zondig waren. De titel Dode zielen ontleent zijn kracht aan de religie. De ziel is het deel van de mens dat niet kan sterven. Een dode ziel is ook een gebruiksvoorwerp, de in een inventaris opgenomen naam van een dode slaaf over wie – of waarover – zijn eigenaar nog steeds belasting moet betalen. Mogelijk was een deel van wat Gogol zondig vond zijn gewoonte om mensen als materiële objecten neer te zetten – als `onbeduidende vlekjes of kleine spikkels op andere voorwerpen.'

Ik ben zelf geen christen en heb er ook nooit een willen zijn, behalve als ik de Engelse 17de-eeuwse dichter George Herbert lees. Hij hanteert de telkens terugkerende metafoor van de onmogelijke afstand tussen lichaam en ziel, die draait om het stof waaruit wij allemaal zijn opgetrokken. Hij richt zich tot God en zegt: ,,Wilt thou meet arms with man, that thou dost stretch/ A crumb of dust from heav'n to hell?'' (,,Wilt U de hand schudden van de mens, dat U een stofkorreltje uitrekt van hemel tot hel?'')

Bij Herbert is het lichaam stof en de ziel oneindig, en dat schept een grote en complexe ruimte waarin het individu bestaat. Ik denk dat de roman een agnostische vorm is. Hij ontstond in de tijd van de reële twijfel aan het geloof, en weegt in de negentiende eeuw de religieuze visie op de wereld - en de verhalen en woorden die daarin worden gebruikt - af tegen een nieuw materialisme met haar eigen verhalen en woorden.

Het boek dat volgens mij het dichtst in de buurt komt van een christelijke roman over de belichaamde ziel is De Idioot van Dostojevski. Het centrale idee van De Idioot zoals we die kennen, was, in de woorden van Dostojevski zelf in een brief ,,het schilderen van een volledig mooi mens''. De held van de roman, prins Mysjkin, is een Russische Heilige Dwaas, een afstammeling van Don Quichot, en een soort Christus in een onchristelijke wereld. Hij is een werkelijk onschuldig en goed mens – een moeilijk personage om te bedenken – en hij beweegt zich onhandig door de gebruikelijke romanwereld van huiselijke intriges, liefdesaffaires en huwelijken, omdat hij – net als Christus wellicht – niet echt een belichaamd seksueel wezen is, maar slechts een intuïtief oprecht en vriendelijk mens. De personages van de roman worden ten tonele gevoerd tegen de achtergrond van een schilderij van een menselijk lichaam, Holbeins angstwekkende en mooie beeld van een dode Christus die is neergelegd in de graftombe. De oude gelovige, Roghozin, bezit een afdruk van het schilderij in het huis waarin hij de Magdalena van de roman vermoordt, de gevallen vrouw Nastasia Filipovna. Zowel Roghozin als de prins is bang dat Holbein niet een God heeft geschilderd, waarvan de triomfantelijke wederopstanding aanstaande is, maar het idee heeft verbeeld dat wij uiteindelijk slechts uit sterfelijk vlees bestaan.

Prins Mysjkin is de romanheld naar het model van Christus. Dostojevski's personages zijn geweven in een wandkleed van stervende lichamen en ambigue zielen.

Balzacs Menselijke Komedie is doordrenkt met de vormen en de orde van Dante's Goddelijke Komedie, niet in de laatste plaats omdat Balzac zelf geloofde in het christelijke verhaal en de bijbehorende visie op de wereld.

Als we de personages bekijken in Illusions Perdues (Verloren Illusies) en Splendeurs et Misères des Courtisanes (Grootsheid en ellende van de courtisanes), zien we onmiddellijk hoe zij zichzelf definiëren en beschreven worden in termen van het christelijke verhaal. Balzacs grote misdadige schurk, Jacques Collin of Vautrin, ook bekend als Trompe-la-Mort (iemand die de dood tart), omschrijft zichzelf in termen van Miltons Satan, de verleider en gevallen engel. De dwaze dichter die hij verleidt, Lucien de Rubempré, wordt in engelachtige bewoordingen beschreven, en zijn naam zelf is eveneens van bijbelse oorsprong – Lucien, hetgeen `licht' betekent, en Rubempré, `rooskleurige weide' – een soort corrumpeerbaar paradijs. Luciens maîtresse, de courtisane Esther, wordt opgevoerd in het licht van een reeks bijbelse analogieën. Als zij voor het eerst verschijnt op een gemaskerd bal, wordt zij vergeleken met een schilderij van Bellini van de maagd Maria. Ze wordt (door Vautrin) naar een klooster gestuurd om te leren een deugdzame vrouw te worden – maar in de kloostertuin verandert haar sensueel gecorrumpeerde lichaam haar gelijktijdig in Eva en de slang.

Een van de triomfen van Balzac is dat zijn personages bestaan in diverse boven op elkaar geplaatste of onderling vervlochten wandkleden. In het voorwoord bij zijn `Komedie' vergelijkt hij zijn roman met een wetenschappelijke onderneming. Hij schrijft het oorspronkelijke idee voor zijn werk toe aan een vergelijking tussen de menselijke en de dierlijke natuur. ,,Er bestaat niets anders dan een dier. De schepper heeft zich voor alle levensvormen bediend van één enkel patroon. Het dier is een principe dat zijn externe vorm, of, nauwkeuriger gezegd, de onderscheidende elementen van die vorm, ontleent aan de milieus waarin hij is geroepen zich te ontwikkelen.''

Balzacs wandkleed is bijna driedimensionaal – er zijn de draden van het verhaal en van de dialoog, er zijn de religieuze patronen en analogieën, er is de materialistische analyse, er zijn de zoölogische, sociologische en medische aspecten van het lichaam en de geest van zijn mensen, in de diepten van hun eigen wereld.

Ik heb de titel van deze lezing ontleend aan een essay van de criticus Thomas Pavel, waarin hij een historische ontwikkelingsgang schetst van Ziel naar Hart naar Psyche. Welke invloed hebben Freud en de psychoanalyse uitgeoefend op de constructie van personages? Wat Pavel gelooft, is dat met Freud een idee over de menselijke natuur ontstond, dat inhoudt dat het menselijk gedrag grotendeels wordt gestuurd door onbewuste patronen en krachten, waarover individuen geen controle hebben. Hij beschrijft deze `psyche' altijd als een mechanisme. Iris Murdoch, schrijvend over Freud in haar filosofische werk, spreekt over het `systeem' van het sado-mechanisme, dat, zo zegt zij, ,,hoewel het voortdurend alle aandacht en energie herleidt tot het zelf ... bijna de hele weg daarheen plausibele imitaties van het goede kan voortbrengen.'' Murdoch koestert achterdocht jegens de zielenknijpende methodiek van de psychoanalyse, die zij tegenover de oudere platonische en christelijke ideeën van de deugd plaatst. ,,Een nauwkeurig onderzoek van het mechanisme versterkt vaak alleen maar zijn kracht.'' Ze staat eveneens wantrouwend tegenover het narcisme. Diverse personages van Murdoch zijn agnostische filosofen, die zich bezighouden met de vraag hoe ze tot het goede kunnen komen, maar zich niet helemaal realiseren dat hun ideeën over de deugd afhankelijk zijn van de judeo-christelijke mythen en geloofsregels die zij hebben afgezworen.

In mijn optiek bewoont Murdoch het grensgebied tussen de christelijke en de post-christelijke wereld. Een eerdere schrijver die zich opgewekt aan de vernietiging van de oude orde zette, was D.H.Lawrence. Hij geeft een beschrijving van de manier waarop hijzelf zijn personages schept, waarbij gebruik wordt gemaakt van Freudiaanse terminologie (het ego) en van een prachtige door hemzelf bedachte metafoor:

,,Je moet in mijn romans niet zoeken naar het oude, stabiele ego van het personage. (...) Het zijn verschillende stadia van hetzelfde enkelvoudige, radicaal ongewijzigde element. Net zoals diamant en kool verschillende verschijningsvormen zijn van het pure, enkelvoudige element koolstof. De doorsneeroman zou de geschiedenis van de diamant natrekken, maar ik zeg: Diamant, hoezo? Dit is koolstof! Mijn diamant mag kool zijn of roet, maar mijn thema is koolstof.''

In termen van de door mij gehanteerde analogie tussen roman en wandkleed kan worden betoogd dat Lawrence, op zijn speurtocht naar het primitieve weefsel waaruit mensen zijn opgebouwd, eerder naar de wol kijkt waarmee de personages zijn geweven dan naar de randen van hun afzonderlijke vormen. Lawrence's `koolstof' blijkt voor een groot deel overeen te komen met wat Freud de seksualiteit of het libido noemt, en wat Lawrence, volgens de mode van zijn tijd, `bloedbewustzijn' noemt.

Thomas Mann heeft Freud ook gelezen. Wat hem bij Freud lijkt op te winden zijn de beschrijvingen van het `id' - ,,de duistere, ontoegankelijke delen van onze persoonlijkheid'' die ,,een chaos vormen, een smeltkroes van ziedende prikkelingen''. De situatie van het ego, vervolgt Mann, ,,is deerniswekkend, zo niet alarmerend – een wakker, prominent en verlicht onderdeeltje van het id...'

Dit soort denkbeelden verandert de aard van zowel ons wandkleed als van de personages die daarop voorkomen. Dromen, het irrationele, het `primitieve' en het puur lichamelijke winnen terrein ten koste van de morele ziel en de denkende geest – hoewel Mann een uiterst zelfbewuste, denkende schrijver was. Hij geloofde dat ziekte een uitdrukkingsvorm van de ziel was.

In De Toverberg verlaat Hans Castorp de Vlakte, met zijn burgerlijke orde en geneugten – het onderwerp van romans – en betreedt de ijle lucht en de wereld van de Venusheuvel. In zekere zin is het omslagpunt in De Toverberg het moment waarop Castorp een röntgenonderzoek ondergaat en de realiteit van zijn skelet ziet. Hij ziet zijn eigen dood. Hij is een wandelend `memento mori'. Je zou kunnen betogen dat Lawrence's koolstof en Manns knokige en waterige cellen identiek zijn aan Herberts tussen hemel en hel uitgerekte stofkorreltje. Maar dat is niet zo, want hemel en hel zijn verdwenen – het mysterie resideert voortaan in de Venusheuvel.

Zowel Mann als Lawrence (en andere schrijvers uit die tijd) dachten dat ze ons inzicht juist groter en niet kleiner maakten in de complexiteit van wat het is om mens te zijn. Mann en Lawrence schreven over mysteriën in een wereld die zich al bewust was van de Darwiniaanse voorstelling van zaken dat wij niets méér zijn dan sterfelijke dieren, slechts een andere geevolueerde soort – ook al heeft die soort dan de religie en de ethiek uitgevonden. En op een zeker punt van het algemeen bewustzijn holde dit inzicht het gezag uit van morele schema's, terwijl het onze belangstelling deed toenemen voor seks en de dood, en onze behoefte om ons daarop te concentreren.

Ik wil nu kijken naar een paar romans waarin de personages zich ervan bewust zijn dat ze sterfelijke dieren zijn, en niets meer dan dat.

Inni Wintrop, het centrale personage in Cees Nootebooms Rituelen, bevindt zich in een moderne wereld waaruit de oude vormen en betekenissen zijn verdwenen. Hij wordt heen en weer geslingerd tussen een bijna dwangmatige speurtocht naar seksueel genot en het bewustzijn van de dood. De schrijver verbeeldt zich de schijnbaar willekeurige wereld door de ogen van Inni, zodat het wandkleed de randen van het personage en de woorden van de schrijver vervaagt. Het verhaal begint met Inni's mislukte zelfmoordpoging. Inni's metafoor voor zichzelf is dat hij ,,een `gat' is, een afwezigheid, iets dat niet bestaat''. Een groot deel van de roman gaat over twee sterfgevallen, die zijn verbonden met rituelen en rituele vaten. Arnold Taads is een atheïst die in de bergen sterft. Zijn half-oriëntaalse zoon Philip pleegt zelfmoord na een Japanse theeceremonie.

Inni is zijn eigen katholieke geloof verloren als gevolg van een grotesk incident, wanneer een oude priester, bij wie hij misdienaar is, dood neervalt terwijl hij de kelk met de wijn, die het heilige bloed is, omhoog heft. De dood heeft het religieuze mysterie geëlimineerd. Arnold Taads schept er genoegen in met een monseigneur te redetwisten aan een eettafel die is overladen met dood vlees. Hij sneert:

,,U heeft een heel systeem gebaseerd op het gruwelijke symbool van het kruis. Uw religie voedt zich nog steeds met die ene sado-masochistische séance die misschien wel nooit heeft plaatsgevonden.''

Die identificatie van religie met sado-masochisme in een wereld zonder geloof, maar vol met seks en dood, is heel belangrijk. De jonge Taads leeft in een wereld van Zen-achtige leegte en verklaart dat hij ,,af wil van het ding dat ik ben'' en dat hij het ondragelijk vindt ,,om een lichaam nodig te hebben om te kunnen bestaan''.

In zekere zin illustreert deze roman mijn punt dat onze wereld op de een af andere manier is gereduceerd tot lichaam, seks en dood. Inni zelf filosofeert over de `lichtheid' van de wereld. Nootebooms wandkleed van woorden voorziet die wereld van een ander soort mystiek. Nooteboom voelt zich in het heden op zijn gemak en is zich bewust van dat wat verdwenen is.

De eerste roman van de jonge Britse schrijver Adam Thirlwell, is getiteld: Politics, a Novel. Ik bewonder deze schrijver zeer, omdat ik denk dat hij zowel een nieuw onderwerp als een nieuwe stijl heeft gevonden. De roman heet weliswaar Politics, maar gaat helemaal over seks. De personages zijn jong, heel jong, en hoewel het studenten en acteurs zijn, leven ze in de wereld van seks en winkelen uit de softpornolectuur in de supermarkt. Het gaat over één man en twee vrouwen, die uiteindelijk in een wat onbeholpen driehoeksverhouding belanden, uit een mengeling van vriendelijkheid en gêne. In de jaren zeventig merkte Iris Murdoch over zeer jonge mensen op dat ideeën over waarheid en vrijheid, liefde en de ziel verdacht of betekenisloos voor hen waren, maar dat zij werkelijk geloofden in de vriendelijkheid van de mens en dat zij deze eenvoud was gaan respecteren.

Thirlwell heeft W.G. Sebald aangevallen wegens diens `kitsch' – hetgeen hij voor een deel definieert als een neiging om de geschiedenis clichématig als duister en verschrikkelijk te zien. Volgens Thirlwell komt Sebalds visie er automatisch op neer dat we moeten wanhopen, omdat ,,de wereld betekenisloos is. Er is geen God.'' Thirlwell zelf zegt: ,,Maar waarom zou een goddeloze wereld ons moeten laten wanhopen? Persoonlijk zie ik het verband niet. Maar met kitsch is dat verband wel overduidelijk aanwezig.'' Ikzelf sta dichterbij de meeliftende filosofen van Iris Murdoch dan bij Thirlwells jeugdig gezond verstand. Ik geloof niet in de God van Herbert. Maar diens gestage ondermijning heeft de wereld waarin we leven wel kleiner gemaakt.

Maar zelfs uit de afwezigheid van de wereld van het goddelijke en het ethische kan kunst worden gemaakt. Thirlwells boek is kunst, en goede kunst. We zijn niet verloren, we zijn slechts anders geworden.

De wereld uit de romans van Roth en Thirlwell wordt niet omgeven door transparante ramen, waardoorheen je misschien de hemel kunt zien. Het is een wereld van spiegels en televisieschermen, waarin je je eigen lichaam ziet, of de gelijksoortige lichamen van Reality TV en van spookpersonages. Het is interessant om over na te denken. Maar het is moeilijk om het niet als een verlies te ervaren.

Dame Antonia Byatt is een van de belangrijkste schrijvers van Engeland. Voor haar roman `Possesion' (1990, vertaald als `Obsessie') ontving zij de Bookerprize.

www.nrc.nl/opinie

Volledige tekst Huizingalezing

De volledige tekst van deze lezing is te vinden op www.nrc.nl/opinie